Contact

Home

Zeeklei, schapen

Mijn vriend en ik rijden naar de boeren die ons stroom geven. Bij de boerderij, op zestig hectare land, staan drie windmolens die ze er zelf neer hebben laten zetten. Overal waar we kijken zien we omgeploegde kleigrond in felle herfstzon, de klei blijft in dikke plakken onder onze voeten hangen als we met een groepje stadsmensen tussen de akkers door wandelen, waardoor we steeds langer lijken te worden. Een vrouw, knalrood gestifte lippen, is bang om uit te glijden en gaat door de berm lopen. “Het is zeeklei,” zegt de boerin, “heel vruchtbaar en heel goed voor de gewassen, al staat er nu alleen verderop een beetje gewas”. Luzerne, legt ze uit, is veevoer. De vrouw die bang is om uit te glijden zegt dat het ook op brood kan. De boerin zegt: dat heb ik echt nog nooit gehoord, het is een soort klaver. Maar de vrouw zegt: ik eet het op brood. En ze zegt ook dat je van de zeeklei poppetjes kan maken.

Ik kijk naar de zwarte grond en het lijkt net of ik de zee kan horen, wat natuurlijk helemaal niet mogelijk is. Dan kijk ik naar de lucht, die groter, hoger en weidser is dan we vanuit de stad kunnen zien. Als iedereen even stil hoor je het zoeven van de windmolen. Het is ook erg koud, ondanks de laag klei die als een klomp om mijn schoenen zit begint het gevoel uit mijn voeten te verdwijnen, gelukkig gaan we terug naar de grote loods waar we begonnen zijn. Iedereen staat nieuwsgierig bij een machine die aardappels kan sorteren en eigenlijk wil ik vragen of ‘ie even aan mag. Ik wil ook in de tractor en van alle machines weten wat ze doen en foto’s maken van een berg mooie, oranje wortels die pas geoogst is, en het liefst zou ik vragen of ze misschien buren hebben met schapen die ik even door hun vette vacht mag aaien. Dat doe ik allemaal niet, want ik voel me een aapjeskijker en een stomme stedeling die niet weet hoe je voedsel verbouwt, alleen hoe je stukjes schrijft over dure koffie en verkoudheden. Ik slurp van mijn thee en kijk hoe de kinderen van andere bezoekers wel in de tractor gaan zitten, met hun handen over de wortels gaan, bijna in de aardappelmachine gaan hangen. Mijn vriend maakt ondertussen schaamteloos foto’s van alles, en terecht, dat ik daar te bescheten voor ben ligt aan mij.

We krijgen aardappels en pompoenen mee voor thuis en voelen ons erg duurzaam, ook al zijn we met de auto. Misschien moeten wij ook boer worden. Opgetogen met deze toekomstvisie werp ik een blik op ons balkon, waar wat lijkerige staken uit aardewerken bloempotten steken. Misschien is de agrarische sector niet zo’n strak plan. Aan de andere kant, het balkon is wel behoorlijk groot. Ik ben benieuwd hoeveel schapen erop zouden passen.

Deze column staat ook in Advalvas.