Contact

Home

Waardigheid

Op mijn dertigste verjaardag lag er een brief in de bus waarin werd opgeroepen tot een test op baarmoederhalskanker. In het feestgedruis (nogmaals, ik werd dertig, er moesten rollators opgepoetst worden en kunstgebitten geslepen) vergat ik de oproep, om er een paar maanden later nóg een te ontvangen. Zo makkelijk kom je niet van die ouderdom af.

De brief is opgesteld in klare taal, en toch las ik hem in mijn voorbarige gevoel voor drama verkeerd. Aldus toog ik weken later in de volle veronderstelling dat iemand een soort pijpenrager in mijn baarmoederhals zou duwen, met mijn ziel en waardigheid onder mijn arm en met paniekerig naar binnen gekrulde schaamlippen naar de huisarts. Tijdens het vragenlijstje dat de arts bij me afnam kon ik me niet losmaken van een zeer onplezierige herinnering aan de laatste keer dat ik mij met een eendenbek (die naam! Hou op! Kwak!) in mijn vagina in een behandelruimte bevond. Toen hield de arts ter plaatse met twee handen een tang vast en zette ze zich met één been af aan de behandeltafel terwijl ze een spiraaltje uit mijn ingewanden probeerde te trekken. ‘Weet je zeker dat je niet onder narcose wilt?’ vroeg ze paniekerig en ik jankte: ‘NOU DAT HADDEN WE MISSCHIEN IETS EERDER KUNNEN BEDENKEN’ en het eindigde met diezelfde arts die, haar witte jas onder het bloed, niet kon lachen om mijn door de tranen heen misplaatste slagersgrappen.
Bent u (m/v) er nog?

De arts die een afwasborstel in mijn voorplantingsorgaan wilde steken, vroeg of er een student mee mocht kijken. ‘Nee,’ murmelde ik, en van achter een gordijn gleed er een verontschuldigende schaduw de behandelruimte uit. Ik wilde zeggen: niet omdat ik me schaam voor mijn baarmoederhals, maar omdat ik dan zeker weten om mijn moeder ga roepen. In plaats daarvan beantwoordde ik vragen over mijn menstruatie (‘alsof er een trein over me heen rijdt, maar dan van binnen’) en voorbehoedmiddelen. Er liep een traan over mijn wang. De dokter negeerde deze professioneel.

Mijn broek moest uit en ik had per ongeluk mijn rafelonderbroek aan en overal stoppels en ook twee verschillende sokken aan. ‘Even zuchten’ zei de arts en veel later: ‘je mag verder wel ademen hoor.’ Ik snikte en probeerde geen zenuwenwind te laten en stond vijf minuten en een compleet pijnloze behandeling later – dat borsteltje ging helemaal niet zo ver als ik vreesde – weer buiten.

Na een wijdbeens boodschappenrondje kwam ik erachter dat mijn fietssleutels verdwenen waren. Herhaaldelijk stalde ik onder het toeziend oog van diverse voorbijgangers en parkeerwachten mijn troostaankopen op de stoep voor de huisarts uit om achter een haag van chocolade en populairwetenschappelijke tijdschriften (eigenlijk voor tienjarige jongetjes bestemd) grienend steeds meer tampons, maar niet mijn sleutels, uit mijn rugzak te schudden.
Ach, dacht ik tenslotte verslagen, toch minder erg dan een afwasborstel in je baarmoeder, en wandelde zo nu en dan krabbend aan mijn beglijmiddelde kruis naar huis.
Daar ging de telefoon. De huisartsenpraktijk, dat ze m’n sleutel hadden gevonden. Nee, mijn waardigheid was nog niet terecht. Had ik geen reserve?

Deze column komt uit het onvolprezen Advalvas.