Contact

Home

Voet tussen de deur

De vrouw die voor mij stond, ín mijn deuropening zodat de deur niet meer dicht kon, had een paar keer aangebeld voor ik opendeed. Ook was ze naar het raam gelopen om met veel moeite tussen de stroken plakplastic door naar binnen te kijken en naar de voordeur te wijzen. Ze klopte tegen het glas. Voor de zekerheid belde ze vervolgens nog eens aan.
‘Mag ik wat vragen,’ vroeg ze.
‘Misschien,’ antwoordde ik, want meestal wordt die vraag mij op zaterdagochtend gesteld door mensen die mij willen bekeren, frisse jongens die even over Jezus willen sparren, of moeders met peuters aan de hand die grote natte ogen opzetten als ik de deur dicht wil doen. Deze zichtbaar bedroefde vrouw had geen peuter bij zich, maar een lege kinderwagen, wat het geheel een naargeestige aanblik gaf.
‘Ik heb een zoon,’ zei ze, ‘en die studeert hier sinds kort.’
Mijn vrees dat ze over de lege kinderwagen of God zou beginnen verdween, tenzij haar zoon erg klein, voorlijk of heilig was.
‘Hij kan geen woning vinden. Ik ben maar gewoon aan het aanbellen,’ ze zette nog een stap naar voren, zodat ze in de hal stond, ‘heeft u een kamer vrij?’
Ik zei van niet.
‘Maar hoe vindt mijn zoon dan een huis? Heb je dit gekocht? Het ziet er wel groot uit.’
De vrouw had niet echt de goede buurt uitgekozen om naar een studentenwoning te zoeken. Overal wonen artsen en advocaten en het huis naast het onze stond tot voor kort nog te koop voor zeven ton. Mijn vriend en ik hadden het niet helemaal geloofd toen we hier terecht kwamen, in een huurhuis, maar inmiddels hebben we een verklaring gevonden in de schimmelplekken op de muren en de vochtkringen in het plafond. Ik vertelde de vrouw dat ik huurde.
‘Hoeveel betáál je dan?’ vroeg ze.
‘Dat deel ik liever niet met mensen die ik niet ken’
‘Véél dus. Hoeveel ongeveer? Zeg gewoon even hoeveel je betaalt. Vierhonderd? Achthonderd?’
Nu zette ik een stap naar voren. Haar wanhoop was van het begrijpelijke soort, maar zo opdringerig dat ik er benauwd van werd. Ik zei dat ze misschien even in een andere buurt moest gaan rondvragen, of aan het secretariaat van de Hogeschool een foldertje over wonen kon halen. Haar ogen werden rood. Eigenlijk moest ik haar een kop koffie aanbieden.
‘Het spijt me,’ zei ik, meer omdat ik haar weg wilde dan omdat ik geen kamer over had – haar hand rustte nu bezitterig op de deurpost.
Uiteindelijk vertrok ze toch, die lege kinderwagen voor zich uit, om haar queeste voort te zetten in een nog chiquer deel van de stad. Of dit nu een heimelijke actie uit moederliefde was of de wens om eindelijk van dat immer thuiswonende kind verlost te raken: ik hoop dat ’t lukt. En dat er de volgende keer gewoon weer door relifanaten aangebeld wordt; die kan ik tenminste zonder gewetensbezwaren wegbonjouren.

Deze column staat ook in Advalvas