Contact

Home

Vluchtelingencrisis van onder een stoeptegel

Wat mij bereikt van de vluchtelingencrisis is niet de mensen in nood, of de oorlog, maar mijn Facebookvrienden. Avatar na avatar roept: Dit Zijn Tien Redenen Waarom We Vluchtelingen Op Moeten Vangen! Niet kwaad zijn als je een Syriër met een smartphone ziet!

Omdat ik mijn Facebookvrienden min of meer hetzelfde kies als in het dagelijks leven leek het net of iedereen in Nederland tegen niemand in het bijzonder riep dat we migranten met open armen moeten ontvangen. Ik was geërgerd: jongens, we hoeven dit toch niet te roepen, iedereen weet toch dat je als je een ziel hebt je anderen in nood moet helpen? Richt die sportzaal in, verzamel spullen, stop met dat geblèr over hoe goed je wel niet bent.

Natuurlijk is Facebook niet het dagelijks leven. In de kroeg druk ik bij een vervelende gesprekspartner niet mijn oren dicht om hem te ontvolgen en ik kieper ook nooit een kennis met ongure ideeën over de rand van een brug om van ‘m af te zijn. Facebook is zelfs geen televisie, waar je of je het nu wilt of niet af en toe tegen een tenenkrommende voxpop aanzapt (‘se kenne allemaal versuipe die uitfreters, soals Sjeekspier al sij: De W fan wakker Stamppot etah’) en zo de drang kunt gaan voelen om een tegengeluid te laten horen. Ik heb geen televisie-abonnement. Dus ging ik, bijgekomen van mijn ergernis, zoeken naar de oorzaak van al dit geschreeuw van mijn rechtschapen Facebookmatties. Bleek voor de zoveelste keer dat ik nooit helemaal bekomen ben van mijn geloof in sprookjes. De immense stroom aan hulpbehoevenden riep niet bij iedereen de Samaritaan op, maar voedde een leger aan mensen die ik in het dagelijks leven wel dégelijk over de rand van een brug zou willen kieperen zouden ze hardop de dingen durven zeggen die ik in de commentaren onder nieuwsberichten las.

Het wonderlijkste is nog wel dat deze PVV’ers vaak onder hun eigen naam (en vermoedelijk onder begeleiding van een chimpansee die ze helpt met schrijven) naar alles wat niet wit en Hollands is uithalen. Kennen zij dan niet de emotie die ik zelfs in échte gesprekken regelmatig ervaar? Namelijk de drang na iets onhandigs te hebben gezegd ten overstaan van iets te veel mensen, of één belangrijk mens, in een stil hoekje de haren uit je hoofd te gaan zitten trekken, of je wenend te willen verschansen onder een stoeptegel tot iedereen je is vergeten? En in zo’n situatie is je enige troost nog wel dat de verbale blunder van het, ik noem maar wat, het per ongeluk verwijzen naar de jeugdtrauma’s, de moeder, het geslachtsdeel van je toehoorder, niet ten overstaan van het gehele land en drie toekomstige generaties te berde gebracht is.

Ze schamen zich niet. Wie zich plaatsvervangend schamen zijn de roepers in mijn vriendenlijst. Hun aanmoedigingen te helpen zijn niet alleen aanmoedigingen maar ook een luid en duidelijk bewijs: dáár hoor ik niet bij. En dat is, laten we wel wezen, nog altijd effectiever dan mijn harengepluk of die stoeptegel waar ik zo moeilijk onder vandaan lijk te komen.

Deze column komt uit Advalvas