Contact

Home

Vloek

Volgens mij moet Antwerpen mij niet. Steeds wanneer ik dreig in de buurt van die stad te komen en de chocoladewafels al ruik, roert ze met een bakstenen vinger iets om in mijn lot waardoor ik haar niet bereik. Treinen keren om wegens brandjes, reisgenoten worden niet goed, er staakt iets op, aan of wegens de spoorwegen of er gaat iemand op liggen. De sporadische keren dat ik voorbij de spreekwoordelijke stadsmuren weet te glippen (onderweg heb ik bij het zien van het eerste huis met van die schubbentegeltjes geroepen: BELGIË! WE ZIJN IN HET BUITENLAND!) gaat er onherroepelijk iets mis. Een bed and breakfast aan een klinkerweg waar toevallig de hele nacht open wagens die metalen platen vervoeren moeten rijden, bijvoorbeeld, of zulk kolereweer dat niemand, zelfs niet een toerist die het heel graag wil, zich buiten durft te begeven.
Slechts één keer kneep Antwerpen een oogje toe: ze kon moeilijk een hele delegatie VU-studenten en docenten laten ontsporen ter hoogte van Roosendaal. Dat was vier jaar geleden en ik ben nog steeds aan het nagenieten van mijn zege; ik at er ein-de-lijk een chocoladewafel, dronk er Echt Belgisch bier, werd beledigd door barpersoneel dat niks van Ollanders moest hebben en schaakte uit pure blijdschap per ongeluk een studiegenoot – inmiddels wonen we samen.
We hebben nog drie keer geprobeerd om terug te gaan, maar het mocht niet baten. Antwerpen kneep gewoon haar billen weer samen tot we het opgaven of wegvluchtten, dat laatste ’s ochtends in alle vroegte, in een taxi naar dat prachtige kathedralenstation, ik kan me de reis niet meer herinneren zo ziek was ik.
Dus natuurlijk had ik kunnen weten dat het helemaal niet handig was om op mijn verjaardag met vrienden een nachtje in dat verdoemde oord door te willen brengen. Toen Antwerpen van ons versgeboekte hotel doorgefluisterd kreeg dat wij zouden komen, en ze voor haar geestesoog de treinkaarten besteld zag worden, spreidde ze haar machtige handen en wuifde haar vloek naar Amsterdam-Noord. Een week voor vertrek werd ik wakker met de stem van Tom Waits en de conditie van een dood paard. “Ach,” vrolijkte mijn vriend, “Hoe lang kan zoiets nu duren?”, waarop hij terstond zo smerig begon te hoesten dat we quarantaine overwogen. Enfin. Ken je die mop van die mensen die naar Antwerpen gingen?
Steden zijn geen mensen, maar toch heb ik het idee dat ik iets goed te maken heb met Antwerpen. Het is ergens verkeerd gegaan. Misschien moet ik iets offeren, een dier of een kind of zoiets, de biergoden aanroepen of de rails naar het zuiden kussen. Misschien moet ik het oeuvre van Kristien Hemmerechts herlezen, nooit meer Jambers nadoen en me louter nog hullen in de lappen van Dries van Noten. Misschien moet ik eens wat Antwerpenaren bij mij uitnodigen en die dan geen wafels geven maar IJbier en Amsterdamse uitjes.
En als het nooit meer goed komt tussen de stad en mij zal ik het stiekem moeten doen. Ik zal behendig als een wezel in iemands koffer of rugzak moeten kruipen en mee moeten liften, zodat Antwerpen denkt dat ik bagage ben en geen dagjesmens. U bent gewaarschuwd, met uw studietripjes: terug ben ik drie keer zwaarder, door de wafels.

Deze column staat ook in Advalvas.