Contact

Home

Versleten gebeente

Het winkelmeisje, dat ongetwijfeld eigenlijk aangeduid moet worden met salesperson, keek zeer angstig naar me toen ik haar vroeg of ze me wilde helpen. ‘O God,’ zag ik haar denken, of eerder ‘OMG, like, WTF,’ en in haar hoofd ging ze diverse rampscenario’s af.

1: deze vrouw kan ergens niet bij en dan moet ik helefuckingmaal het trapje pakken.

2: deze vrouw is haar tweede jeugd aan het beleven en wil nu weten welke muziek er gedraaid wordt, maar hoe spel je Rihanna eigenlijk?

3: deze vrouw moet naar de wc, maar is te oud om dat zelfstandig te kunnen. OMG OMG.

Ik vroeg haar naar een T-shirt dat ik een tijdje geleden in de winkel gekocht had, ik wilde er nog eentje, het was mijn lievelings geworden. Ik voegde daar luchtig toe: “Dat weet je natuurlijk altijd pas achteraf,” wat ze niet overduidelijk niet grappig vond, terwijl ik het ook niet grappig bedoeld had. Ze keek even naar het plafond, alsof ze hoopte dat daar iets zwaars uit kon vallen dat mij keurig verpletteren zou, en toen naar de grond, op zoek naar de hendel voor het valluik. Sterven aan ouderdom, zag ik haar peinzen, was ook een optie.

“Dus…” zei ik, in een poging haar weer op gang te krijgen.

“Ik vraag het even voor u na,” antwoordde het meisje, ik veegde subtiel mijn paar grijze haren achter mijn oor.

Ik wachtte en stond daarbij in de weg, er trapten meisjes op mijn voeten en ze botsten tegen mijn rugzak en eentje bleef met hemd vol sexy slierten en gaten en prijskaartjes aan de rits van mijn jas haken, waarop ik terwijl ik haar losmaakte per ongeluk schor van het wachten zei ‘staat je wel goed’ en daarna een beetje dood wilde, zij ook, vermoedelijk. Ik nam plaats onder een hoog opgehangen rij shirts waarop stond: Born in the nineties. In de verte zag ik mijn salesperson met een collega overleggen, waarbij handen ten hemel geheven werden en ogen gerold. Ten langen leste keerde ze terug.

“Dat shirt was niet van deze winkel,” zei ze, “of het komt uit het vorige seizoen,” waarbij ze “net als u” inslikte en ik op mijn beurt niet uitriep dat zij toen zeker nog niet geboren was.

“Succes, mevrouw,” werd me toegebeten.

Een beetje van mijn stuk reisde ik naar het tweede doel van de dag. De Openbare Bibliotheek. Begeleid door de Openbare Bibliotheek-piano (waarom?) waarop iemand een Coldplay-Vanessa Carlton-medley ten gehore bracht (nogmaals: waarom?) en terwijl er op de eerste verdieping een vechtpartij uitbrak en op de zevende een kindervoorstelling begon, vroeg ik aan een medewerker of ze ook een boek over Argentijnse literatuur had.

“Ja!” zei ze blij.

Aangekomen bij het plankje bleek het boek, zoals gebruikelijk in de bibliotheek, op mysterieuze wijze verdwenen te zijn.

“Och,” zei de vrouw, “wat jammer voor je! Misschien heeft iemand anders uit je klas het geleend.”

OMG, dacht ik. Ik zei: “dat denk ik niet,” en vertwijfeld sleepte ik mijn versleten gebeente toch vrij soepel huiswaarts.

Deze (een-na-laatste, mijn God!) column komt uit Advalvas, het magazine van de Vrije Universiteit.