Contact

Home

Verslag uit de Europe Endless Express

Van 30 juni tot en met 2 juli reed de Europe Endless Express door zes Europese landen. Een festival in een nachttrein. Voor de SLAA schreef ik over het wel en wee in die trein – de verslagen werden op de Facebookpagina gepubliceerd.

1: Treinspotters
De trein waarin we zitten is bijzonder.
‘Ha,’ zegt een man wiens kaartje ik controleer terwijl ik geen controleur ben, maar er is een echte controleur kwijt.
‘Ik hoopte al dat het deze trein zou zijn. Duíts!’
Of misschien zegt hij Pools, of Hongaars, er bestaan ook vast Poolse en Hongaarse treinen – ik vind het heerlijk, één van de heerlijkste dingen om in een trein te zitten, maar alles wat met treinen te maken heeft, herkomst, techniek, glijdt langs me heen.
‘Duíts!’
De man is écht gelukkig, hij moet even naar adem happen als hij zijn eerste stap op de holle treinbodem zet.
De trein is een halve kilometer lang en bijzonder en zodra de trein gaat rijden worden mijn gezelschap, bestaand uit een man m/v of vijf, en ik bruut van elkaar gescheiden door de hordes culturele elite. Tussen ons in wordt een voorstelling gespeeld, ik mag er niet langs. Tussen ons in staan ook mensen uien te snijden en aardappels te schillen, er staan mensen hun bedden op te maken, er gillen mensen in portofoons. God, we zijn zo ver van elkaar verwijderd dat er in de tussengelegen coupés heel nieuwe volkeren kunnen worden gesticht, of nieuwe diersoorten kunnen ontstaan.
Die trein is écht bijzonder lang. Ik zit alleen in een wagon, aan een splinterige nieuwe houten tafel zodat er gegeten kan worden.
Er worden treinspotters omgeroepen, ze staan klaar bij Hilversum en Teuge, het zijn jonge jongens van negentien jaar, of negenentwintig jaar, Sanders en Jochems en Sytzes. We moeten naar ze zwaaien. Dat doe ik. En ik proost, want ik heb de fles SLAA-wijn in mijn bezit. Op Europa, of tenminste de bijzondere trein die er nu doorheen dendert.

2: prioriteiten
’s Ochtends stelt men prioriteiten, men moet koffie en croissants, men is iedereen, cultureel geïnteresseerden die denken: flikker op met je literatuur, je film, je geinige treinradio, je al dan niet Tsjechische geëngageerde liederen. Wij zijn Europa. Wij moeten koffie en croissantsen we gaan er voor in de rij staan.
Ik loop met mijn koffie die ik in een rustige keuken lekker zelf kon tappen, naar de andere kant van de halve kilometer trein. Uiteraard bevindt de rest van het gezelschap – behalve Daan Doesborgh, maar die ben ik gewoon de hele tijd kwijt – zich daar. Op een of andere manier blijven we van elkaar gescheiden worden, zelfs de slaapcoupés moeten van het lot zo ver mogelijk van elkaar verwijderd liggen, mijn enige troost is dat het verblijf van De Rest heel erg rammelt ‘s nachts. Ik heb óók niet geslapen, maar kon tenminste in stilte niet slapen en het landschap buiten van donker naar licht, van land naar stad zien veranderen.
Ochtend in deze trein is een zeer lange rij hongerige mensen in een smalle hete gang waar het hard waait zodat iedereen elkaars haren van de lippen moet plukken. Er wordt veel gelachen en gegroet. Ik leg de hele route af met mijn papieren beker boven mijn hoofd.
Na de barre en welhaast eindeloze voettocht – er zijn regimes gevallen en keizers gekroond, nieuwe munteenheden ingevoerd en oude in ere hersteld, het is een wonder dat ik nog niet aan ouderdom gestorven ben – vind ik De Rest.
‘Goeiemorgen,’ zeggen ze met de energie van mensen die na een uur slapen weer opgestaan zijn, ‘wij gaan naar jouw kant van de trein om koffie te halen.’
‘Ja,’ zeg ik, en ik huil niet maar ga liggen in de coupé met wanden die rammelen alsof er opgewonden de geesten van eeuwen Europa in rondwaren.
Later op de dag staan we herenigd en wel in het Archa Theater, Praag. Wunderbaum presenteert er een band bestaande uit vluchtelingen, geweldige muziek, klezmer meets Tibet, althans, zoiets denk ik, maar aanvankelijk wiegt het publiek een beetje lafjes mee.
‘Did you sleep well?’ vraagt één van de acteurs tussen de bedrijven door aan het publiek.
‘NO!’ galmt het publiek erg blij en als één man.
Er wordt op volle kracht een Tsjechisch lied ingezet waarvan het refrein ontzettend klinkt als ben je dom of ben je mooi.
En dan dansen we, dat werkt net zo goed als koffie.

3: douchegeruchten
Er gaat het gerucht dat er op deze trein waar het stromend water schaars is, iemand gedoucht heeft. Ze – volgens de meeste vertellingen is het een vrouw – heeft zich terwijl het plebs zich in de ziedende hitte over het smeltende Bratislavaanse asfalt bewoog op weg naar een programmaonderdeel, uit haar kleren gepeld. Maar waar? Waar is die douche?

De meute stak zebrapaden over terwijl het Slowaakse verkeer tegen werd gehouden door politie met fluit en wapenstok. En zij, zij die douchte, legde haar tandenborstel klaar. Volgens coupés ter hoogte van rijtuig 17 had ze zelfs een zeepje.
Een zeepje!

In de markthal van Bratislava liep langs 599 ruggen het zweet in straaltjes naar de bilnaad, in honderden gympen broeiden voeten, wat er later op de avond voor zou zorgen dat het in de slaaprijtuigen licht naar Franse kaas ging ruiken.

Het Europees voorzitterschap werd symbolisch overgedragen aan Slowakije en zij, Zij, draaide een kraan open. Ze draaide een kráán open!
Arnon Grunberg sprak over Europa als nooduitgang en toevluchtsoord en zij, Zij, voelde of het water een aangename temperatuur had.
Tegenover de markthal stonden enkele treinreizigers met de hongerklop bij McDonald’s en in de Endless Express waste iemand haar oksels.

’s Nachts lig ik op mijn bedje, dat met een iets te scherpe hellingsgraad aan de wand hangt waardoor ik steeds tegen het hout aan rol (maar gelukkig niet de vloer op), de deken plakt aan mijn vieze benen. Van onder het bedje stijgt een verontrustende lucht op, er liggen schoenen en oude shirts van zes mensen. Een heel pittig frans kaasje, zeg maar.

‘Weet je,’ zegt iemand in de gang, koortsig van de hitte, de vermoeidheid en de wodka, ‘vier rijtuigen verder schijnen ze een bubbelbad te hebben.’

Om de laatste feestgangers heen vallen honderden mensen in lekker vieze slaapjes.

4 (fin):
Gisteravond liepen de culturele enthousiastelingen als een soort oersoep de Endless Express uit, achter bleef het dappere personeel dat de trein moet ontdoen van keukens, podia, achtergebleven zweetsokken en croissants. De dappere revisoren, dames die de meutes drie dagen lang door de trein gidsten en er allemaal zo mooi uitzagen met hun gele rokken en blauwe hoedjes, mochten wel uit de trein. Amsterdam Centraal galmt vermoedelijk nog steeds na van het gejuich waarmee ze op het perron verwelkomd werden.

Na een coma van ongeveer twaalf uur word ik wakker en sta ik op om aanvankelijk met mijn armen strak langs mijn lichaam, zijwaarts, langs de muur, de slaapcoupé te verlaten. Dan struikel ik over een stapel boeken en weet ik het weer, ik ben thuis. In de keuken staat geen grote tank heet water met zakjes Nespresso ernaast en ik kan nog zo vaak mijn woning rondschuivelen, De Rest zal ik niet vinden. Voor de zekerheid check ik het balkon even maar er wordt niet voorgedragen en zelfs Daan Doesborgh staat er niet te zingen, wat redelijk jammer is, want zijn verschlagerde vertolking van Nijhoffs ‘Moeder de vrouw’ (‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’), is eigenlijk op alle momenten gepast, ook als je net wakker bent. En waarom klinkt Paul Haenen niet vertrouwd door een speakertje in het plafond?

Ik ben thuis en door een speciaal team – nazorg – gereinigd met een hogedrukspuit en buiten, achter het raam, staat alles stil en is alles Nederland. Ik rek me uit, heel breed, dat kan gewoon, ik raak geen neuzen, oksels of billen van mensen die net het stapelbedje boven me verlaten. Een beetje eenzaam. Onder mijn voeten golft de grond nog af en toe, een soort landziekte, of misschien heeft die mooie trein zich zachtjes in mijn systeem genesteld. Lichtelijk viezig, ja, maar dat hoeft, zo bleek, helemaal niet zo erg te zijn.