Contact

Home

Unwilling suspension of disbelief

Mijn vriend zei: ‘we moeten echt even naar buiten vandaag.’
‘Maar ik weet niet of ik nog zonder mijn dekentje kan’ raspte ik van onder mijn dekentje.
Vakantie is fantastisch; om mij dan in de open lucht te krijgen moet je echt wel met een heel goed voorstel komen.
‘Hoezee!’ zei mijn vriend, ‘In Roelofarendsveen is een rommelmarkt!’
Of een iets minder goed voorstel. Ik ben zo makkelijk.
De markt besloeg twee hallen. Er hing, naast de gebruikelijke tweedehandsspullenlucht (een combinatie tussen hout en hond), een frituurwalm. Rijen tafels stonden er, met daarop koperen asbakjes, B-boeken, verrekijkers, klokken met krullen, armbanden met plastic diamantjes en spullen die vervoersbedrijven tegen beter weten in óp hun vrachtwagen leggen waardoor ze er steeds precies bij dezelfde afslag af vallen. Op de spullen lagen bordjes, er werden veel ‘kettings’ verkocht, en ook ergens ‘ketings’. Achter de tafels zaten haast zonder uitzondering bolle, grijsgerookte dames en heren met weinig (m) of groot (v) haar, een centebakkie en een zwaar accent (Leids, Amsterdams, Pools, Turks).
‘Pris hep het aan der bene,’ zei één van de koopvrouwen, ‘dus ik seg; je mot minder frete, seg ik. Segt sij: kaik naar je eige! Me eige bloed! Nou ja, se hep een kleintje en se mot ook nog eindexamen doen. Het is niet makkelijk.’
Het lijkt wel een andere diersoort, dacht ik, iets wat ik ook overigens ook denk bij mensen aan de andere kant van het spectrum, mensen die zo schoon en keurig zijn dat ik op hun voorhoofd wil kloppen om te kijken of ze echt zijn.
We kochten niets, zelfs geen boeken of patat. In plaats daarvan huurden we in de videotheek een zombieserie. Ik mocht weer onder het dekentje terwijl mijn vriend naar zombies keek en mij liefdevol uitlachte. Het zit zo: als ik een goed boek lees, of een mooie film zie, zit ik er helemaal in. De willing suspension of disbelief. Maar ik lijd ook aan de unwilling suspension of disbelief, bij veel te spannende of enge films zit ik met klamme handjes en een fladderhart achter een kussen te grienen, hoe erg ik ook probeer te denken aan studio-opnames, grime en narratieve structuren. Daarna kan ik niet slapen omdat ik het beeld van een stervende aliën/vleesetende zombie/man-die-weerwolf-wordt/geest-in-spiegel niet van mijn netvlies krijg. Als ik dan toch slaap, worden mijn altijd al bizarre dromen bevolkt door horrorfiguren.
Vannacht waren het de marktkoopmannen en vrouwen. Ze hadden zwarte ogen en alles wat ze verkochten zat onder een laag bruin slijm. Op de vloer van de hallen in Roelofarendsveen lagen oren en darmen. Het marktpubliek liep angstig rond, we konden niet naar buiten. Soms kreeg iemand opeens een donkere blik, dan moesten we rennen. Ik rende in mijn eentje rond, de markt veranderde in een grote boot. Een zombie zonder onderkaak maar met een grote toef haar hield me op het dek staande.
‘Ik heb hier een handschriftje van Jacques Perk,’ zei ze, ‘Het is maar drie euro.’
In mijn zak vond ik een briefje van vijf. Ik gaf het aan de zombie. Met het handschrift onder mijn arm rende ik verder tot ik overboord moest springen. Zonde van de geschiedenis, dacht ik tijdens het springen. Ik werd wakker van het koude water. Geen zombies, geen markt, geen Perk.