Contact

Home

Thuis is een plak hasj op de kachel

Ongeveer tien jaar geleden verliet ik het ouderlijk huis om vervolgens ieder jaar een andere woning te betrekken. In mijn eentje, met huisgenoten of met geliefden (één tegelijk, overigens). Thuis ben ik nergens geweest, of misschien pas achteraf. Terwijl ik steeds weer wende aan nieuwe geluiden, geuren, de hellingsgraad van een vloer en aan de muren, al dan niet gelardeerd met schimmels en paddenstoelen, bleek zich er toch iets van de woning in me te nestelen. Terwijl het eigenlijk andersom zou moeten zijn.

Als ik droom dat ik thuis ben, ben ik vaak in de woning waar ik het kortst verbleef. Het was een kamer die voor de verandering niet in een buitenwijk van Amsterdam lag, maar onwaarschijnlijk dicht bij het leven. Zo dichtbij dat ik maandenlang niet gefietst heb: blijmoedig liep ik van mijn huis bij de Wibautstraat overal naartoe.

Mijn huisbaas woonde in de woonkamer waarvan alle muren versierd waren met psychedelische muurschilderingen, ik woonde in de slaapkamer waar een bed, een tafel en een klerenkast in pasten. In die slaapkamer stond, net als in de woonkamer, een gaskachel waar ik duizelig van werd als hij te lang aanstond. Een aantal verdiepingen onder ons bevond zich een shoarmazaak die zorgde voor een immer aanwezige muizenmars in de keuken, en waarvan de eigenaar mij vanaf dag één begroette met een vrolijk: ‘Hee, boervrouw!’. Recht onder mij woonde een analfabete vrouw, ik hielp haar met haar inburgeringshuiswerk maar eigenlijk wilde ze liever dat ik van haar cassave at en in ruil mijn telefoon in bruikleen gaf voor noodgevallen. Eén keer betrapte ik mijn buurvrouw erop met mijn telefoon een astrolijn te bellen.
“Heel belangrijk” zei ze.
“Nee.” zei ik.
Ik ben nog zes jaar lang gebeld door verkopers en incassobureaus.

In dit huis, wat pas thuis bleek toen ik er jaren later over begon te dromen, werd ik ooit wakker met pijnlijke ogen en een wattenkop. In de stellige overtuiging dat een wandeling in de buitenlucht me zou helpen, verliet ik de woning om er nog maar een paar keer terug te komen. De eerste keer was na de wandeling, die uren geduurd bleek te hebben zonder dat ik het doorhad – ik opende de deur en liep tegen een muur van hennepwalmen aan. De tweede keer was nadat ik twee dagen bij mijn ouders gebivakkeerd had, zo stoned als een garnaal, ze geloven mijn verklaring nog steeds niet: mijn huisbaas maakte hasj, dat wist ik wel, maar dat hij de plakken liet drogen op een gaskachel op vol vermogen had ik niet durven bevroeden. De keren erop zijn vaag en gevuld met verhuisdozen.

In mijn dromen bestaat de huisbaas niet en valt er altijd zon in mijn kamer, terwijl die in het echt alleen een deel van de vensterbank bereikte. Er heerst een gelukzalige stilte, niet het geraas van de Wibautstraat. En altijd ben ik wat licht in mijn hoofd.

Nu woon ik in een groot huurappartement aan de rand van Amsterdam. Het huis is zo nieuw dat het nog geen ziel heeft en ik probeer er al een jaar alles aan te doen om te zorgen dat ik me er thuis voel. Muren verven, meubels schuiven, gaten boren. Het helpt niet, er ontbreekt iets, misschien moet ik geduld hebben, misschien moet ik wachten op een shoarmazaak, een onbetrouwbare buurvrouw, of misschien moet ik gewoon eens lekker een plak hasj op het vuur zetten. Mam, ik zeg het nu vast: het ging per ongeluk.

Deze column schreef ik voor, en las ik voor, op Writers Unlimited.