Contact

Home

Te vroeg

Toen er onlangs voor het eerst in tijden zon langs mijn wang streek en ik meende een vleug bloesem te ruiken, liet ik al mijn werk vallen. Ineens worden de dagen weer langer – of nou ja, ze tellen even veel uren maar zijn lichter. Gelukkig maar, ik was net op het punt dat ik dagelijks rond de schemer week en neerslachtig ineen zeeg om de duisternis, het patriarchaat en het leven in het algemeen te vervloeken. In de winter vergeet ik altijd dat het ooit lente was en als dan eindelijk die eerste echt voelbare zonnestralen die typische warme-stoeptegellucht – al is ‘ie nog flinterdun en ligt er in de schaduw rijp over het gras – van de grond doet opstijgen gebeurt er van alles met me. Het is net of alle lentes die ik ooit heb gekend samenballen in het geluid van de eerste baltsende merel en een Britse toerist met een korte broek aan. Terrassen! Stoepkrijt! Seks!

Gehuld in niets dan twee tactisch omgebonden reepjes stof dartelde ik naar buiten om de liefde te verspreiden. Ja! De bomen die niet in de schaduw van flats staan knopten al voorzichtig en tussen het zwerfvuil in de berm kuierde een klein konijntje. De meerkoeten in de bruine sloten maakten hun knappend geluid en bouwden nesten van veters en patatzakken en de hemel stond zo blauw en stil boven Amsterdam Noord dat het net leek of alles behalve natuur en ringweg z’n adem inhield. Mijn buren uit de bejaardenflats knikten me vanuit hun beige jassen vreedzaam toe, of het was de tremor, maar dat maakte allemaal niks uit, want er kwam ook een peuter langs met een McDonalds-ballon in z’n kleverige handjes. Zijn moeder schopte vrolijk een klein hondje voor zich uit en riep dat iedereen de tyfus kon krijgen.

Niet uit het veld geslagen keek ik de andere kant op en vervolgde mijn weg, langs een parkeerplaats waar twee vrouwen in winterjas met hun handen op hun wangen keken naar een Ford waar de raampjes uitgetikt waren, het glas glitterde in de schelle zon en rijmde met de zwarte ramen van het casino waar, zo juichte ik inwendig, ongetwijfeld nu een miljonair ontstond, het moest wel, om het evenwicht tussen geluk en ongeluk te bewaren. Op een verder gelegen plein lichtten spreeuwtjes paars en blauw op in het licht weerspiegeld door winkelruiten van verlaten panden. Naast me stonden drie vrouwen te kankeren op de politiek. Een vierde kwam door het zoete strijklicht aan rijden op haar scootmobiel, hield halt en keek smakkend om zich heen. Toen ze alle aandacht had die ze behoefde, haar gezelschap zweeg afwachtend, zei ze luid: ‘ik heb een smaak in m’n bek, mensen, daar zeg ik u tegen!’ In de verte klonk een plofkraak.

Ik rilde, deed toch maar een sjaal om, keerde jammerend huiswaarts. Binnen moest de verwarming aan. Op de rand van het balkon streek, ondanks alles, een voorbarige koolmees neer.

Deze column komt uit Advalvas

Op Tirade blogde ik de afgelopen tijd over The City Builder, de buurman die geloofde dat Bush een reptiel was, Amsterdam Wildlife, en het explosiegevaar dat het Boekenweekgeschenk met zich meebrengt.