Contact

Home

Sax

De jongen was bleek van het soort dat niet kleurt in de zon, misschien had hij Engelse roots. Zijn haar was kinderlijk blond en zijn lippen waren meisjesachtig vol en van het roze dat lippen krijgen wanneer ze in koud weer iets warms gedronken hebben. Ze probeerde te denken aan andere dingen die ze mooi vond: zwarte vogels op de wieken van een windmolen en koeien die wolkjes ademen in de vroege ochtend als ze langs het land van de buurman fietste, op weg naar haar werk in de stad die altijd onverwacht hard en vol was na het groen. Nu was ze met de auto gekomen, de saxofoon moest in de achterbak.
De jongen woonde in de stad, dat had hij haar verteld; hij was er opgegroeid. Opvallend schoon, leek hij, voor iemand die leeft tussen de uitlaatgassen en roetpluimen, hij miste die grijze waas die bij veel stadsbewoners altijd aanwezig leek en die zij al lang van zich afgewassen had in de jaren dat ze er niet meer woonde. Tegenover al die teerheid en dat zachte bleke stonden zijn handen die grof waren. Ze lagen vlak bij de hare. Hij verkruimelde een bierviltje.

Lees verder op de website van De Revisor.