Contact

Home

Over Josepha Mendels’ ‘Je wist het toch’

Je wist het toch is een liefdesgeschiedenis en een oorlogsverhaal. Het gaat over Henriëtte Bas en de getrouwde Frans Winter, ook wel Kabouter en Raderdier, die elkaar in Engeland ontmoeten en een verhouding aangaan ‘voor de duur van de oorlog’. Gevoel door drama en opgeblazen romantiek ontbreekt beide personages niet. Kabouter, roept Frans bij ieder afscheid dat ze nemen, Raderdier, schalt Henriëtte haar jonge minnaar terug. Een pop, lijkt hij soms wel voor haar, als ze hem uit een ingewikkeld matrozenpakje helpt bijvoorbeeld.

Zoals je als moeder eigenlijk geen lievelingskinderen mag hebben, is het voor een lezer misschien niet zo netjes om lievelingspersonages te hebben. Tenslotte moet je ze allemaal in context zien, zonder het ene personage had het andere geen nut gehad, alles draagt bij tot het Grote Verhaal, enzovoorts. Hoewel er in de literatuur mijns inziens een groot gebrek bestaat aan onafhankelijke vrouwelijke personages die meer zijn dan een gezellige side-kick, of een zeverend symbool van de zoveelste verloren generatie –   een gebrek aan Henriëttes, kortom, moet ik toegeven dat mijn sympathie volledig uitgaat naar Frans.

Frans is een botte zak. Naast zijn vrouw en Henriëtte houdt hij er nog een trits minnaressen op na (onheilspellend detail: Henriëtte nodigt ze een keer allemaal uit op een soort surpriseparty voor haar geliefde). Op afspraakjes met zijn liefjes toont hij zich niet van zijn galantste kant. Bij hun eerste rendez-vous vertelt Frans aan Henriëtte hoe hij als jongen na het masturberen troost zocht bij een tuinkabouter. Tijdens een vrij rampzalig etentje met een zekere Peggy drinkt hij pure jus, in plaats van het over z’n aardappels te gieten. Bovendien wijst hij haar met sardonisch genoegen op alle verminkte soldaten in hun omgeving. Aan het eind van de date duwt hij haar in een taxi zonder er zelf bij in te stappen– hij heeft heimwee naar zijn kabouter, Henriëtte dus, niet die in de tuin.

Maar bovenal is Frans aandoenlijk. Tijdens zijn onhandige vlucht van Frankrijk naar Spanje, waar het boek weergaloos mee opent, wordt hij beroofd door zijn gids. En dat terwijl die arme Frans zo zijn best heeft gedaan die kerel aardig te vinden, en bovendien – quelle horreur – een espadrille verloren is. Nog voor dat moment, Frans strompelt met twee onhandige aktetassen door bosrijk gebied, denkt hij te midden van al zijn ellende niet aan de oorlog, maar aan de liefde. ‘Vrij,’ mompelt hij, ‘ik ben vrij’ en hij mijmert over het openzetten van zijn hart.

Er gaat wel meer los, bij Frans. Zijn matrozenpakje, ja, maar ook bezit hij na de oorlog ineens een ‘opklapzintuig’. De man die zich voor de oorlog niet vereenzelvigde met zijn Joods-zijn, bespeurt ineens overal antisemitisme. Ronduit ontroerend is de brief die hij, wetende dat ze is omgekomen in een kamp, aan zijn moeder schrijft. Van zijn lichtzinnigheid is niets meer over, ook al heeft hij zoals hij zelf schrijft ‘de oorlog met kinderogen gezien’ en hem, feitelijk, niet echt gevoeld.

Ik las Je wist het toch zonder iets over Josepha Mendels te weten. Achteraf las ik haar biografie, waarin aangetoond wordt dat ze een dame met swag avant la lettre was; ik vind het altijd zo lekker hoopvol om bevestigd te zien dat je als vrouw na je vruchtbare jaren niet direct in een lijkwade achter de geraniums hoeft te gaan zitten, maar bijvoorbeeld op je zeventigste nog kunt debuteren als actrice. Uit de biografie blijkt ook dat Je wist het toch geïnspireerd is op Mendels eigen ervaringen, haar amoureuze voorkeur voor getrouwde mannen, haar verhouding met de dichter Sadi de Gorter. De romanpassages die ik met de grootste bewondering las, de stukken waarin Frans verdwaalt, de brief aan zijn moeder, blijken een stijlmiddel van Mendels geweest te zijn. Zij heeft haar eigen vlucht door haar minnaar laten beleven, en in plaats van de moeder van Henriëtte, dus die van Mendels, komt die van Frans om.

Een autobiografische roman, moet je dat dan noemen. Dat is een term waar ik de laatste tijd jeukerig van word. Dat komt omdat ik zelf een roman heb geschreven, waarin allemaal personages rondlopen die in niets op me lijken. De eerste vraag die door iedereen gesteld wordt is: ‘Het is niet autobiografisch, hè?’

Als ik bevestigend antwoord kan dat op twee reacties rekenen. De eerste is diepe teleurstelling over het feit dat ik mensen zomaar wat op de mouw speld, met als tragisch hoogtepunt iemand die uitriep: je verzint dus gewoon maar wat? De tweede reactie is zo mogelijk nog erger, omdat hij getuigt van een arrogantie die ik onvoorstelbaar vind: ‘Ha,’ zegt iemand gelukzalig, ‘ein-de-lijk een keer een boek dat niet over het leven van de schrijver zelf gaat!’, om daarmee een heel genre teniet te doen en meestal vervolgens toch te gaan vissen naar wat er dan wél echt gebeurd is in m’n boek, maar dat terzijde.

Ik wil in die situaties altijd erg graag bewijzen dat autobiografische romans wél mooi kunnen zijn, en goed, en dat autobiografisch sowieso literair gezien een verdomd breed begrip is. Maar omdat dit soort vragen me vaak en publique gesteld worden, en ik bijgevolg in een constante staat van bibberende paniek en geheugenverlies verkeer, kom ik vaak niet verder dan een suf en schor: ‘Maar Gerard Réve dan!’. Voortaan zal ik iets over Mendels zeggen, wier roman ook zonder dat je iets van haarzelf weet een kunststuk is, niet alleen inhoudelijk, maar ook stilistisch. Ja, van je eigen leven kun je wel degelijk hoogstaande literatuur maken, je hoeft er alleen maar een buitengewoon schrijver voor te zijn. En misschien een eigenzinnige dame.

Deze column las ik voor 19 mei, tijdens een avond ter gelegenheid van het werk en leven van Josepha Mendels, georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. De biografie van Mendels (Josepha Mendels. Het eigenzinnige leven van een niet-nette dame – Sylvia Heimans) en de nieuwe uitgave van haar roman Je wist het toch zijn verschenen bij Uitgeverij Cossee