Contact

Home

Op het randje

In Noord, waar het altijd net iets harder waait en waar de fietspaden zich op afroep van een kwaadgezind lot haast onzichtbaar hellen, vroor mijn gezicht er bijkans af ondanks de winterzon. Er lagen bevroren plassen op de weg en dun glazuur op de sloten, alles leek zo stil door die felle kou, zelfs de reigerkolonie waar ik dagelijks langs fiets maakte geen geluid. Lekker wel, de lente was haast te ruiken en de kou haalde het niet door het leer van mijn handschoenen.
Op de pont bleef ik buiten staan, niet in het overdekte gedeelte. Mijn ogen traanden na en overal klonk het geluid van neuzen die opgehaald werden. Een toerist vroeg zich hardop af of de pont ook naar Volendam ging en kreeg geen antwoord. Een erg grote hond likte de kop van een kleiner exemplaar. Een man vroeg aan waar hij onder mijn jas mijn borsten vermoedde of het wel met me ging. ‘Fietsen,’ zei ik, alsof dat alles verklaarde en dat deed het ook. Hij zei dat ik wel genoeg moest eten en dat er niet genoeg vet op mijn botten zat, dat ik daarom de kou waar ik niet over klaagde voelde. Het was duidelijk dat ik net niet naar zijn zin was, me op het randje bevond van iets wat je moet bevaderen, iets wat je moet bespotten en een lekker wijf, of misschien zat hij alleen om een praatje verlegen en maakte ik dat er allemaal zelf van – dat denk ik niet, maar dat moet je toch ook in overweging nemen. Hij bevond zich akelig dichtbij het water maar ik duwde niet, had geen zin om iets terug te zeggen, reed alleen die fiets naar binnen. Aan de overzijde van het IJ was het warmer en drukker, maar nog steeds stillig, alsof iedereen zijn adem inhield tot het voorjaar werd.