Contact

Home

Onzichtbaar, als helder water.

De bange man mocht in de krant uitleggen dat hij groot en sterk was. Hij wilde niet de enige zijn die bang was, die als hij op straat liep en zijn eigen omgeving ontwend was het zweet in zijn bilnaad voelde lopen. De dingen ontwennen zo snel. Hij dacht heel kort, zonder dat de herinnering zich aankondigde, aan zijn schooltijd en de dagen dat er een vreemdeling voor de klas stond omdat zijn eigen leerkracht ziek was. Ze roken anders, die invallers, ze hadden een andere leeftijd en een andere stem en kort in plaats van lang haar of lang in plaats van kort. Ze zongen andere liedjes met de kinderen. Op die dagen leek het net alsof hij er zelf eigenlijk niet was. Pas als hij thuiskwam, naar de bekende meubels keek, de vertrouwde luchtjes rook, pas als hij met zijn handen over de muren die hij kon dromen gleed, was hij er weer. Soms, als een leerkracht langer ziek was, of in het buitenland wegens het overlijden van een familielid, werd hij zelf ook ziek.

Natuurlijk is hij veranderd, volwassen geworden. Een kleine jongen is hij niet meer – hij is iemand die zich heeft ontwikkeld, dat is weinigen gegeven. Hij dacht ook iets over rupsen en vlinders maar slikte die gedachte direct weer in, probeerde hem te ontdenken – een simpel man is hij namelijk ook niet. En: geen man van concessies.

Hij schreef dat woord op. Concessies. Concessies zijn is iets voor weekdieren en niet voor mensen die afstammen van een volk dat de wereldzeeën heeft bedwongen. Je moet je niet naar andermans wil schikken, dacht die bange kerel voor hij uit mocht leggen dat hij groot en sterk was, andere mensen moeten zich naar jouw wil schikken. Hoe kan het ook anders, als je gelijk hebt? Duidelijk zijn, tegen iedereen, anders leren ze het nooit. Anders word je gepakt. Het is overleven. Als je naar buiten gaat om boodschappen te doen en iemand draalt voor je voeten: overleven. Als een vreemde je de weg vraagt: overleven. Als je favoriete restaurant een nieuwe eigenaar krijgt: overleven. Hij miste nog steeds die vrouw – hoe heette ze nou – die zwanen en lotussen vouwde van de dikke servetten.

Hij kamde zijn haar naar achter en duwde zijn onderkaak een beetje naar voren.
Sluipenderwijs, dacht de bange man. Sluipenderwijs wordt alles maar anders; je merkt het niet maar ineens sta je onder de douche en zie je een zwarte plek op de tegelmuur. Schimmel die er eerst niet zat maar heel erg langzaam, ja, sluipenderwijs is ontstaan. En dan is er geen beginnen meer aan. Dan moet je uiteindelijk die tegels vervangen en wennen aan een nieuwe kleur, want die specifieke tint oranje krijg je nergens meer. En de man die de badkamer de vorige keer betegelde is met pensioen. Niet relaxed, echt helemaal niet relaxed.

‘Ze willen me pákken,’ zei hij tegen zijn handen en hij wist niet precies over wie hij het allemaal had. Badkamermannetjes, restauranteigenaars, mannen met gewaden aan, invalleerkrachten, mensen met verwerpelijke ideetjes, waar ze verder niet zoveel aan kunnen doen want zo zijn ze nu eenmaal geboren. Maar lieve hemel, denk aan de kinderen en mensen met een laag opleidingsniveau! Onze vrouwen!

Weg, moeten ze. Maar wegvagen met harde middelen, zoals met van die mieren die in de zomer gaan vliegen en damherten in de Waterleidingduinen, dat kan natuurlijk niet. De bange man die mocht uitleggen dat hij groot en sterk was huiverde even. Het enige alternatief voor weg, concludeerde hij in de tevreden stilte voor hij mocht spreken, is onzichtbaar. Precies hetzelfde worden als wat er al was maar dan misschien iets kleiner, zoals een duif die achter een andere, sterkere duif staat maar die iets ieler is en dat je hem dus niet ziet. Dat je pas als je er langs loopt denkt: verrek, het zijn er twéé. Schaduwduiven, mijmerde hij.
Onzichtbaar als de wind en het helderste water.

Hij controleerde of er geen tuinkers tussen zijn tanden zat en dacht aan alle tijden waarin hij had geleefd en alle tijden die hij kende uit geschiedenisboeken en alle tijden die hij zich voor kon stellen en ja, het was echt waar: beter dan nu, dan dit, dit precieze moment van rijkdom en beschaving – precies deze beschaving – en tolerantie, beter kon het niet. Echt niet. Hij wist dat het niet chic was, maar toch dacht hij met warmte aan de dankbaarheid van toekomstige generaties. Geen dank, wilde hij zeggen, maar dat zou niet hoeven, want ze zouden hem volledig begrijpen. Hij zou niks uit hoeven leggen, nooit.
Hij rechtte zijn rug.