Contact

Home

Net niet leeg

Op de tafel lagen kruimels en een Bijbel. Geen Koran, geen Thora, alleen een Bijbel, dat vond ik oneerlijk, net als het ontbreken van een louterend atheïstisch standaardwerk. Ik ken zo’n werk niet, vroeg me of het bestaat en wat er dan in zou staan. ‘Het is waarschijnlijk niemands schuld’ zou een mooie tekst zijn, maar niet waar. Vaak niet waar. Dan is het een eigen schuld: een aardse schuld, natuurlijk. Tabak, een vuurpijl aansteken met een lucifer in plaats van een lont, drugs, drank, onveilige seks, een voorliefde voor extreme sporten, andere vormen van verwaarlozing. Andermans schuld: wapens, gifbekers, vuisten, chemicaliën, weer die verwaarlozing. Verder is er domme pech en erfelijkheid (schuld: gij plantte zich voort).
‘Het is misschien niemands schuld. Als het iemands schuld is, heeft vloeken naar de wolken geen zin, je kunt alleen nog hopen, maar niet op een wonder.’
Louterend zou het niet zijn, dat standaardwerk, ik liet het varen.
Aan de muur hingen foto’s, een beetje vaal geworden, scheef in zwarte passe-partouts geplakt. Het waren huizen in berglandschappen, exotische mensen van drie decennia terug, een lachend kind, maar allemaal op zo’n manier dat ze geen enkele associatie opriepen aan het breken van een jong leven of het verliezen van de grond onder je voeten. Ik werd ook niet opgetild door de foto’s en er viel niets te reflecteren. Huis. Indiër. Kind. De fotograaf had wellicht zelf geen persoonlijkheid gehad. Zodra ik m’n blik van de foto’s wendde vergat ik ze, wat niet erg was. Ik hoorde veel verschillende pieptonen, ze kwamen uit apparaten die mensen in leven hielden. Rustige piepritmes en soms heel snelle, maar er rende niemand in paniek de gangen door dus het zou wel niet erg zijn. De leuning van de bank plakte aan mijn hand, of andersom.
Er kwam een familie langs, zag ik door de deuropening zonder deur erin, alle vrouwen hadden rode ogen. Ze liepen langzaam en dicht op elkaar. Een trieste rups. Ik had ze aan horen komen. “Even kijken of het hier leeg is”; een vrouwenstem. De vrouw liep voorop. Ze had geen rode ogen maar wijd opengesperde en ze liep veel te rechtop. Standvastig, hoopte ze misschien. “Net niet” zei ze toen ze mij zag zetten. De ruimte was net niet leeg. Ik was bijzaak, niet iemand, maar iets dat ervoor zorgde dat de kamer niet leeg was. De hoofdzaak lag waarschijnlijk aan een apparaat dat piepte. Een kwartier later kwam de familie toch binnen. Ze knikten naar me en vergaten me zodra ze hun blik van me afwendden, wat niet erg was. Ik vroeg me af welke piepjes bij mij hoorden, en wat ze betekenden.