Contact

Home

Monument voor de dagjesmens

Geschreven in opdracht van Amsterdam Public Art. Naar aanleiding van een bezoek aan het Oudekerksplein op een rustige dinsdagmiddag en de vaak wonderlijke 360-graden foto’s die door amateurfotografen op Google Streetview worden geplaatst, zo ook door bezoekers van de Wallen. Onder de tekst voorbeelden van die foto’s. Je kunt hier de audiofile van de tekst luisteren. 

Kijk omhoog.
Hier zie je hoe het Niets zich opent aan de hemel, hier is je zenit zwart en rond.
Komt het verspringen van tijd en kozijnen, komt kaarsrecht een spitsboog,
komt zwanenwater onder neonlicht, komt de dag zo blauw dat alles elders is.

Kijk omlaag, je bent er niet. Jij bent net als wij alleen het oog.

Rondom de Oude Kerk schieten wij met selfiesticks,
Ellipsen eindigheid bezien vanaf een kreukelbrug,
waaronder stug een plezierboot vanaf haar romp vervaagt maar vaart, ze vaart.
Het stilgekiekte majum door, de oudste gracht,
waarlangs de losse neus van een bestelbus zonder vracht de zon weerkaatst
die gelijk op -en ondergaat
en zo de straten splijt.

Reik naar voren. We schieten kieren in de lucht om je duim doorheen te steken; jij tast net als wij naar hoe het vroeger was. Het klokkenbrons dat over krot en haven zong. De zeelucht uit je adem zuipen, je zoekt of bent een meid en bovenal, je bent aan wal. Maar dat is wat ooit wegzonk in gore meters stof en steen.
Niet dat de tijd stopte met zingen.
Nog steeds smijt hier een beiaardier zijn lied over wat ooit aarden palissaden waren, over kroegen, wafelzaken, afwerkkamers.

Kijk naar links: daar loopt een joch gestold in sukkeldraf, voor altijd in zijn rode regenjas. Kijk naar rechts, daar loopt hij ook, het dubbelkind.
Je draait je om en vindt meermaals dezelfde man.
Drievuldig schokt hij langs een gapend gat,
als het niets in de hemel zo zwart.

Knipper met je ogen, jij bent een slaperige sluitertijd, kijk langzaam naar de toren. Hollandse gotiek, geel tegen diepblauwe nacht. Je ziet een heiïg plein bevolkt door geesten, het is overdag, het licht is zacht, de dingen vaag – je hebt bewogen. Hier breekgevels, hier knakfietsen, hier een scheve goot vol vrijgezellenpis en daar een man die in het rosse avondlicht alleen zijn eigen schaduw is.

Je ziet no pictures please, wilt verdergaan, maar wij zijn er om het alles te bewaren en naar onszelf, naar godlof heel de wereld, een digitale brug te slaan.

We zingen o mooi, zo mooi, van junk tot grachtenpand, o Mokums bodem, rond en pronkziek, schitterend gebarsten, de voegen vet van zonnebrand.

Loopt vrijmoedig een paar benen zonder lijf de luwte in. Zweeft een halve vrouw verheugd
tussen geteisem. Zichzelf overlappend de wallen, en hoe wit,
hoe wit de wolken vallen.

Meer! Wij zien meer! Wij zijn meer, wij zijn het grandioze, mateloze, wij zijn het raadsel en wij zijn de schatten, wij tonen kruin en smoel aan eeuwigheid, wij staan rechtovereind! Wij zijn overal: zoek een donker raam waarachter roze bloemen, wij schimmen in dat husselglas. Wij zijn verdwijn -en verschijnpunten, een mirakelstralenkrans in weekendpak, onder onze gympen is het asfalt op de brug een pepermunten sterrennacht.

Als je nu wandelt: wacht.

Jij staat op het Amsterdamse hart, je bent een nevelvlek, gebalde tijd, je bent een kosmische formatie van wat is en was en rondtolt in voorzienigheid.

Stel je voor hoe je hoort
dat iemand zegt: het is hier net een dorp op dinsdagmiddag.
Een man klopt zaagsel van zijn broek, vertelt de ander van zijn droom,
hij zegt ik zag twee paarden, een wit, een zwart,
hij vraagt: maar wat betekent dat?
Vanaf plezierboten wordt zonnelauw bier de gracht in gegoten.
Er staat een klant te wachten voor rood licht, een mooie vrouw vraagt hem om vuur, hij schrikt.
Een gids leidt dagjesmensen langs dezelfde ramen. Zwaait soms naar de dames. Ze zegt je zegt geen hoeren meer, ze zegt dit is dus echt de oudste kerk, ze zegt ja daar is koffie, ze zegt nu zeggen we sekswerk.

Leunt op haar halve deur een woeste vrouw met altijd pech.
Leunt op dinsdagmiddag een vrouw die haar ramen blindeert, leunt de vrouw in hazelnotenchocoladelucht die steden onteert, leunt de vrouw in de wijk die ze onder haar vandaan trekken, schreeuwt de leunende vrouw naar schietende gekken: Ik woon hier, ik woon hier, ga weg.

En jij wacht op dat aangeharkte klote-hart en smetteloos de klinkers glanzen, van weetjenogtoenwashetbeter. Jij beloert de kruistocht stadstoeristen en voelt wanhoop, weerzin, op zijn best verwondering.

En de meute is het kind dat bovenop het huis van God, rechtop, toch met zijn rug tegen een afgrond rust. Alles hapert oogverblindend, in de dakrand vallen gaten. Wij staan onbeschut boven een scherp gekromde horizon, we zien geen mens, slechts pannendaken. Beneden zijn we ook, opwaarts de armen om niets stuk te maken.

En jij, dat hart, de meute. Hoe die, de camera geheven, dom over een schijnstad rent.

Omdat we schieten poetst de stad zich schoon, omdat de stad glimt schieten we. Kijk naar alle voeten om je heen en heb het gore lef te denken dat je anders bent.
Jij bent geen som, je bent de delen.
Wij zijn, goedhartig mens, met jou, met velen.
Met lamme vingers woelt het grote wij om het zwerk te spannen als een circustent.

En een man droomt van zijn wilde paarden en jij staat op dat kloppend hart
waar vroeger nagalmt als een schaterlach.
De boeven zijn de goeie jongens, de dames heten van plezier.
Tussen vogelvrij en opgesloten ligt, goud-fonkelend als een rivier,
zelfs de grauwe dingen parelgrijs: het onvoorstelbaar fabelachtig dinsdagmiddagparadijs.