Contact

Home

Mal volk van vijftigjarige zuigelingen (of: godverdomme)

Het was stil op het kantoor van Advalvas. Toen veerde de hoofdredacteur op:
“Zat tyfus er al in?”
Ik knikte. Het werd weer stil.
“Tering”, zei de eindredacteur.
Hij glimlachte er voldaan bij, maar dat was ’m ook niet.
Ik was bij de redactie op bezoek omdat ze me hadden gevraagd een winterverhaal te schrijven, nu was het af, en er zit een grofgebekt personage in. Dat was niet erg, maar of godverdomme eruit mocht. Want op de VU vallen sommige mensen over godverdomme.
“Jezus”, antwoordde ik, wat ook niet goed was, althans niet op papier.
“Gunst”, zei ik toen, “welk woord dan?”
Dat werd moeilijk. Godverdomme bekt gewoon lekker als je je teen stoot of als je ergens heel erg kwaad over bent. Maar de term is ook te bezigen om je verlangen naar iets verbaal kracht bij te zetten. En hierin zit een verschil met andere maledicties. Zo kun je niet zeggen: “ik heb kut zin in een chocoladesoufflé!”, maar wel: “ik heb godverdomme zin in een chocoladesoufflé.” Of, duidelijker: “ik moet kut eten” tegenover “ik moet godverdomme eten.”
Het enige grammaticale neefje waarop we tijdens deze inspirerende discussie kwamen, was het Engelse fuck(ing). Maar die zat al in de gewraakte zin.
Nog steeds op zoek naar een volwaardige vervanger voor het Verboden Woord, plaatste ik een oproepje op Facebook waarin ik mijn vrienden om hun lievelingsvloek vroeg. Men bleef voornamelijk steken op kut en klote en met stip op één, jawel, ik schrijf het nog één keer op: godverdomme. ‘Het blijft toch een klassiekertje’, schrijft iemand in een reactie. Hij heeft gelijk. We zijn niet origineel in het vloeken.
Nee, dan het schelden, dacht ik bedrukt. Als het gaat om het verwensen van elkaar en niet slechts een kwade uitroep in het luchtledige, zijn we taalvirtuozen. We hebben in Nederland zelfs een prachtig stukje literaire geschiedenis dat ons daaraan kan herinneren; de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) zijn om je vingers bij af te likken. ‘(…) het schelden, met geestig, nieuw, levend gebeelde scheldwoorden, het schelden zóo, dat de scheldbladzijde tot de zwiepende geeseling der satyre, of tot een massief stuk verontwaardiging-, toornproza wordt’, schrijft hij in een opstel over zijn praktijken, om niet veel later zijn collegae toe te spreken als ‘Mal volk van vijftigjarige zuigelingen, arme menschen uit een vervaltijdperk, gij, wier nooit éen groot gevoel heeft beheerscht, manken en krommen, die springt in de schichtige dansen van uw glazige zieltjens, vervelende kereltjes van ’t jaar nul.’
Heerlijk. Konden we zo maar vloeken. Komt geen blasfemie aan te pas. Maar helaas. Het alternatief voor de verboden vloek leest u nog, wellicht stoot het nog steeds tegen wat zere benen. U mag boze brieven sturen. Maar voor u dat doet: leest Van Deyssel. Zo uitgescholden worden, lijkt me haast een genoegen.

Deze column staat (mét godverdommes) ook in Advalvas. Het winterverhaal (zonder godverdommes) is daar ook in te lezen, even doorklikken naar pagina 10.

Voor wie helemaal wild van Van Deyssel is nu: hier kun je de pdf van zijn scheldkritieken dowloaden. Fuck yeah!