Contact

Home

Lijers

‘Kan die muziek verdomme wat zachter?!’
De buschauffeur keek dreigend in de spiegel die hem het overzicht op z’n passagiers bood. Moegewerkte mensen die tot deze uitroep met elkaar aan het praten waren of op hun telefoon keken. Ik had naar buiten gestaard omdat naast me een vrouw zat die oogcontact met me zocht zodat ze mij iets – een levensverhaal, een probleem, ik weet het niet – kon vertellen. Nu was iedereen stil. Nergens klonk muziek.
‘Zet goddomme die herrie toch eens uit,’ riep de chauffeur kwaad, hij keek inmiddels weer naar de weg, we reden de IJtunnel in.
‘Nou,’ schelde een Amsterdamse tongval door het vehikel, ‘ik hoor anders niks’.
‘Ik ook niet,’ brulde een ander.
‘Je ken een speld hore falle,’ beaamde een derde.
‘Ondankbare honden,’ antwoordde de chauffeur.
Een meisje vroeg schalks of we (we waren een ‘we’ geworden, wat ik ergens wel mooi vond, maar ook ongemakkelijk) soms ook niet meer mochten praten.
‘Wie hangt hier de lolbroek uit?’
Het meisje stak haar hand op, ze hield er een roze telefoon mee vast. De chauffeur zweeg. Het gemurmel in de bus zwol aan en ik kon een lach niet onderdrukken; de vrouw naast me draaide zich alsof ik haar naam had gezegd naar me toe.
‘Waar maken ze zich druk om hè. Waar máken ze zich druk om.’ Ze klonk als iemand die een Amsterdams accent nadoet, zo aangezet waren haar s’en en zo diep galmden haar a’s.
Ik knikte. Mensen maken zich om ontzettend veel druk.
‘Het zijn ook lijers hoor, die GVB’ers.’
‘Ach,’ zei ik, ‘toch niet allemaal.’
‘Nou, negenennegentig procent hoor, négenennegentig procent.’
‘Och,’ zei ik ouwelijk en probeerde mijn hoofd zó langzaam weer richting raam te draaien dat ze het niet zou merken. Ik weet niet waar de gedachte vandaan komt dat heel langzaam bewegen onzichtbaar maakt, misschien heeft het te maken met dat ik ooit las dat je vliegen in slow-motion en van voren dood moet slaan. Dan zien ze het niet aankomen.
‘Dus laatst stond ik in de tram,’ vervolgde de vrouw, ‘en ik wil van die lijer een chipkaartje kopen. Zegt ‘ie: “u kunt veel beter een vaste chipkaart nemen want dat is goedkoper”. Nou dan moet je net mij hebben na een dag werken, ik ben línk hoor, ik ben línk. En ik praat hard.’
Ik keek naar de chauffeur met het delicate gehoor, maar die zat heel klein achter dat grote stuur terwijl het meisje met de roze telefoon hem uitlachte. We reden door straten waar ik de namen nog niet van ken.
‘Hij moest me gewoon hebben. Dus ik zeg: ik bepaal zelf wel wat ik met mijn centen doe, al vreet ik ze op voor je neus, lazer op zeg. Allemaal lijers.’
‘Het is ook geen makkelijke baan,’ bracht ik onverstandig tegen haar in, ‘je zit in zo’n hokje, de hele dag zeurende mensen, dronken toeristen…’
‘Ja nou en, dan zoek je maar ander werk. Tief op met je chipkaart.’
Het werd rustiger in de bus. De vrouw schreeuwde verder en zei heel vaak: waar maken ze zich druk om.
Ik dacht aan de man die ik toen ik op de bus wachtte had gezien, zijn hoofd was kaalgeschoren en op dat hoofd was zo te zien net een doornenkrans getatoeëerd. Hij had er in de war uitgezien, kwaad ook, niet iets dat je associeert met doornenkransen op je kop, hoewel het er een logisch gevolg van zou zijn. De spitsmenigte spleet voor hem. En ik dacht aan de kerel die eerder op de dag, in de tram, had geprobeerd zijn tong in mijn oor te steken en aan de vrouw die niet kon stoppen met een hyena-achtig gehik omdat ik alleen maar opzij stapte en alleen maar heel pacifistisch zei: ‘gàst’, waar ik zelf ook verbaasd over was.
‘Nou,’ zei de vrouw, ‘we zijn dus allemaal maar een mens. Ik moet eruit, was gezellig.’
Súpergezellig.