Contact

Home

Keuzes, keuzes.

Als je iemand (zeg: Piet) naar de supermarkt stuurt om een potje jam te kopen, en er staan meer dan twintig soorten jam, kunnen er volgens Amerikaans onderzoek dat ik hier te vrij ga interpreteren een paar reacties ontstaan. Piet kan bijvoorbeeld denken: dat is interessant, al die soorten jam! Ik ga alle etiketten lezen en op basis van mijn bevindingen de jams in categorieën verdelen, om de Perfecte Jam daaruit te destilleren; goedkoop, zonder stukjes, zonder suiker, maar wel met conserveermiddelen want ik eet één keer per jaar een broodje met zoet beleg. Piet kan ook denken: na mij de zondvloed, ik kreeg altijd aardbeienjam van mijn moeder, die met dat bessenmannetje erop, ik ga ervoor. Of hij grist zomaar een potje weg, concludeert dat het jam is waar hij redelijk tevreden mee is en sprint naar de kassa. Een laatste mogelijkheid is dat Piet stomverbaasd naar de rijen jampotten kijkt, de paniek vanuit zijn tenen naar boven voelt komen, een zenuwtic ontwikkelt, een huilbui in moet slikken en de supermarkt uitdruipt. Zonder jam. Fuck die jam. Filet Americain is toch lekkerder.

Ik zou graag zeggen dat ik de eerste Piet ben, weloverwogen, goed voorbereid, op de hoogte van mijn eigen voorkeuren. Helaas ben ik de laatste Piet en functioneer ik derhalve niet in supermarkten, tenzij ik extreem goed gehumeurd ben en er geen enkele onverlaat op het idee komt zijn karretje net als ik er langs wil overdwars voor het zuivelschap te parkeren, om vervolgens met een willekeurige passant (grootmoeder met rollator – ook overdwars – en kleinkind, dat kind ligt natuurlijk op de grond te huilen in een geluidsfrequentie die normaal alleen voortgebracht kan worden door geheime wapens van het Amerikaanse leger) over immigratieproblematiek te gaan staan bomen.

Dit gezegd hebbende: we schurken tegen de zomer aan en dan wordt de stad een grote supermarkt. Maar in plaats van over overdwars geparkeerde boodschappenkarretjes, breek je je nek over terrassen waar je op zich wel op zou willen zitten, ware het niet dat het al vol zit met mensen die kennelijk vanaf zeven uur ’s ochtends in hun slaapzak op De Nieuwmarkt liggen zodat ze tegen vijven een roséetje kunnen drinken. En als je eindelijk denkt een plek gevonden te hebben waar je in alle eenzaamheid een thermosfles verdriet open kunt trekken, strijkt er opeens een mobiele bar neer waar iemand quinoaburgers begint te bakken, gaat er een baardige DJ iets ingewikkelds met vinyl en goiabessen doen en verschijnen er uit het niets allemaal meisjes die Vlinder en Raafje heten en zichzelf aan het vinden zijn door middel van jubelyoga of het bespelen van Afrikaanse percussie-instrumenten. Festival! Keer 200! Zoveel mogelijkheden!

Normaal gesproken ben ik de paniekpiet en verschans ik me (al dan niet met Filet Americain, hoewel ik dat in de zomerzon riskant vind, mijn hemel, hoe ben ik zo geworden) thuis of ergens tussen de stille weilanden. Dit jaar moest ’t maar eens anders, ik ben tenslotte recentelijk geconcludeerd dat het zélfs op je dertigste nog nergens te laat voor is. Daar ga ik. Als u iemand langs ziet raven met een quinoaburger tussen haar tanden: ik ben het maar. Het is lente.

Deze column komt uit Advalvas.