Contact

Home

Ik zeg maar zo, ik zeg maar niets.

De man met wie ik op een borrel in gesprek raakte leek me sympathiek. Toch kon ik hem met alle wil van de wereld niet serieus nemen. Sterker nog, als hij iets zei voelde ik de slappe lach door mijn lijf rollen, als ik niet oppaste zou die er via mijn oren uitkomen. Dat komt: het was iemand die zichzelf de hele tijd vragen stelde, en ze dan ook gelijk maar beantwoordde. Alsof hij een essay voorlas, maar dan met in één hand een biertje en in de andere een portie borrelnootjes. ‘En waarom vínd ik De Avonden zo’n fantastisch boek? Ik vind De Avonden zo’n fantastisch boek omdat het appelleert aan een universeel gevoel van ontheemdheid.’ Mensen kunnen nog zo leuk en slim zijn, als het auto-interviewers zijn kan ik ze niet meer serieus nemen. Niet dat ik er niet tegen kan als iemand zichzelf een vraag stelt; kritisch vermogen is een groot goed (Remco Campert dichtte: jezelf een vraag stellen/daarmee begint het verzet//en dan die vraag aan een ander stellen). Maar als je tóch het antwoord al weet, waarom dan die vraag nog?

Kennelijk heb ik ergens in mijn hoofd een archiefje met persoonlijke spraakregeltjes, dacht ik tijdens het gesprek. Een hersenkwabje vol spraakpatronen die ervoor zorgen dat iemand die ze bezigt subiet tot hofnar of lager gedegradeerd wordt. Wie degradeer ik nog meer tegen wil en dank? Het archiefje in mijn hoofd liep over. Mensen die beginnen met: ‘wij als mensen’ en dan eindigen met een algemeenheid: ‘…hebben nu eenmaal voedsel nodig’ . Nee, joh, wij als zeepaardjes denken daar heel anders over! schreeuwt mijn verbale degradatiekwab, terwijl de spreker in kwestie slechts op onschuldige wijze een verhaal probeert in te leiden. Ik heb het ook met sprekers die, hè, bij alles wat ze zeggen, hè, als tussenwerpsel, hè, het woordje ‘hè’ gebruiken. Iets in me moet die hè’s turven. En dan gesproken opsommingen, genummerd of geletterd! Vaak gaan ze samen met een auto-interview: ‘En hoe ga ik dat oplossen? Door a: mijn personeel minder te belasten, b: een mindfullnesscursus te volgen en c: mezelf vragen te stellen. En wélke vragen ga ik mezelf dan stellen? 1: …’. Ik kan de spreker alleen maar een poliep op de stembanden toewensen als ik zoiets hoor.

Wat kortzichtig van mij, dacht ik terwijl mijn gesprekspartner zichzelf nog steeds interviewde, en ik probeerde hem in plaats van een hofnar alsnog heel sympathiek te vinden. Maar toen eindigde één van zijn antwoorden met de frase ‘in dit land.’ Dat was de druppel. Zinnen die zo eindigen moeten afgeschaft worden, en al helemaal als er eerder in de zin een‘tegenwoordig’ en een ontkenning zitten. ‘ […]tegenwoordig[… ]niets meer[…]in dit land.’ Probeer het maar. Wat je ook invult op de stippeltjes, je klinkt gelijk als een teleurgestelde PVV’er.

De man sprak verder, de belletjes op zijn muts rinkelden en de punten van zijn schoenen krulden alle kanten uit. Ik zei gedag en liep de borrelmenigte in, vastbesloten zélf mijn mond maar te houden. Je weet tenslotte nooit wat je allemaal verkeerd kan zeggen.

Deze column staat ook in Advalvas