Contact

Home

Horror in Haarlem

We kijken een aflevering van de zombieserie. Twee mannen staan in een schoolgebouw achter een wiebelig hek, aan de andere kant van het hek staan tienerlijken met gezichten die uit elkaar vallen. De lijken gorgelen van de honger (de lijken gorgelen altijd, waarom, lijken, waarom?) en ze klauwen met grijsblauwe vingers door het raster dat ze van hun maaltijd scheidt. Eén van de zombies spert zijn muil onmenselijk wijd open, het ziet er smerig uit. Dan: aftiteling.
‘Zo,’ zegt mijn vriend, onaangedaan door de getoonde gruwelen en als altijd vol goede ideeën, ‘borreltje?’
Ik wil mezelf niet laten kennen, bied aan iets te halen. Met het klamme zweet nog in mijn handen sta ik op van de bank. Ik weersta de verleiding om als een soort tent, namelijk onder mijn dekentje, naar de keuken te glijden. Lafaard. Denk aan de borrel. Ga naar de borrel. In de keuken (o, waar die klauwen hier allemaal vandaan zouden kunnen komen) duurt het altijd een minuut voor het toch al spaarzame licht op volle sterkte brandt. In die duistere zestig seconden hoor ik een glazen fles omvallen, ook krast er iets in een opbergkrat. Krakende geluiden. Mijn leven flitst aan me voorbij, mijn gevoel voor drama valt van schrik verder helemaal stil, het licht gaat aan. Omdat ik denk: een zombie die in een krat past kan ik hebben, kijk ik in de krat.
‘HOE’ roep ik van schrik, want het springt, ook van schrik.
‘WAT IS ER GAAT HET O JEZUS WAT GEBEURT ER’ roept mijn vriend, die kennelijk toch iets minder goed tegen zombie-apocalypsen kan dan ik dacht.
‘Aaaaahw,’ kweel ik, ‘we hebben een muisje.’
Wat natuurlijk helemaal niet leuk is, maar beter dan een rottende tiener in je fruitmand.