Contact

Home

Hoera voor Miniapolis (en Rob van Essen)

Steven van Ammel, boekhandelaar en programmeur voor het Brusselse Passa Porta, vroeg me om bij de presentatie van Miniapolis – de jongste roman van Rob van Essen – een laudatio uit te spreken. Die kans krijg je natuurlijk niet vaak, dus ik heb daar een kwartier staan fangirlen van jewelste. Hieronder de tekst die ik uitsprak.

Laudatio voor Rob

Ik weet niet meer hoe Rob precies in mijn leven is gekomen. Terwijl ik daar zo graag mee zou beginnen. Een zin als: Toen Rob in mijn leven kwam ben ik de letteren pas echt gaan begrijpen. Of: Op de dag dat ik Rob van Essen de hand schudde werd alles anders, beter, grootser. Maar de waarheid is wat prozaïscher; op een dag constateerde dat zo’n beetje alles wat ik deed met literatuur te maken had, ik was erin gerold, en al rollende had ik Rob opgelopen. Soms mailde hij me, dat moet ook een keer begonnen zijn. Eén keer heb ik hem gebeld. Dat was toen ik hem mocht vertellen dat hij de Biesheuvelprijs had gewonnen.

Die prijs won hij voor de bundel Hier wonen ook mensen. Volgens mij was die bundel mijn kennismaking met Robs fictie en zoals het vaak gaat met het eerste boek dat je van een schrijver die je waardeert leest, maakte het grote indruk op me. Of eigenlijk was het een specifiek verhaal dat me niet meer losliet. En aan dat verhaal, het heet ‘Het huis aan de Amstel’, moest ik de hele tijd denken toen ik Miniapolis las.

In ‘Het huis aan de Amstel’ volgen we een man die terugkijkt op een bijzonder wonderlijk jaar in zijn jeugd. Het jaar waarin hij, samen met een zekere Sybren, in de leer gaat bij iemand die ze onderwijst hoe je met z’n tweeën kunt fietsen terwijl het spinnenweb dat tussen beider voorvorken is geweven intact blijft. Het is een verhaal vol ongelooflijke elementen – de spinnenwebben daargelaten. Het bevat een raar landhuis, een verlichte man die luistert naar de naam ‘Van Waveren’, een reis naar Seoul, een lange bootreis weer terug naar Nederland.

Ik ga even het eind van het verhaal verklappen, zodat ik dat van Miniapolis niet weggeef, want ik wil er een punt mee maken. Aan het eind van ‘Het huis aan de Amstel’ nemen de personages – De verteller, Sybren, Van Waveren – afscheid op het Stationsplein te Amsterdam. Totaal gedesillusioneerd zijn ze; de Koreaanse leer waar Van Waveren de spinnenwebbenpraktijk op baseerde, bleek helemaal niet te bestaan.  De mannen zullen elkaar nooit meer zien, of in ieder geval niks meer met elkaar te maken hebben. Ze hebben een korte tijd iets samen beleefd, een ongelooflijk verhaal beleefd, en wat zich voor en na dat verhaal in hun leven afspeelt doet er niet toe. Je blijft, als lezer, of nu ja, laat ik voor mezelf spreken, achter met alleen die spinnenwebben tussen twee fietsen in, het beeld van twee jongens die als één man moeten trappen.

Enfin, ik heb het nu al heel lang over één verhaal en helemaal niet over de roman die we hier staan te vieren, dus daar gaan we. Die spinnenwebben kwamen niet voor niets in me op bij het lezen. In Miniapolis zitten ook van die gekke elementen. Twee mannen die op een tandem een fietstocht maken bijvoorbeeld – maar daardoor moest ik niet een aan de webben denken. Dat kwam door een puzzelraam achter een geheim luik, een van de hoofdpersonages vindt het in zijn nieuwe woning en haalt er stukjes papier uit waar cryptische boodschappen op staan. Ik citeer uit de roman voor wat helderheid:

‘Vaal licht stroomde naar hem toe, verdeeld door een grillig netwerk van harde, dunne lijnen. Achter het luik bevond zich een spits toelopend kerkraam – of iets wat daar sterk aan deed denken; geen venster maar een rooster, vervaardigd van gietijzer dat hier en daar door roest was aangevreten. De vakjes van het rooster hadden de vorm van klassieke legpuzzelstukjes, sommige staand, andere liggend. Geen enkel vakje bevatte nog glas, als het er al ooit in had gezeten. Hier en daar waren stukjes dichtgestopt met propjes papier.’

In besprekingen van Robs werk, ook van Miniapolis, wordt gezocht naar betekenis. Ik doe mijn collega-recensenten geen recht met deze boude samenvatting, maar een van de conclusies is alsmaar: dit is een roman over contact maken. En dat kan dan allemaal best zo wezen, dat we in Miniapolis lezen over verschillende personages die elkaar nooit helemaal zullen doorgronden maar toch zo graag contact willen maken, die begrepen willen worden en anderen willen begrijpen, maar daar zijn hele bibliotheken over volgeschreven. Ik geloof niet dat de onderliggende betekenissen de succesformule zijn achter Robs boeken. Ik geloof, en ik zeg niet dat het waar is, want weet ik veel wat Rob echt denkt, laten we Rob in dezen ook maar even beschouwen als een personage, dat het Robs blik op de wereld is, Robs blik ook op zijn eigen gedachtenwereld, en wat -ie daar vervolgens mee doet.

Personage Rob ziet bijvoorbeeld een spinnenweb tussen twee fietsen hangen, en heel even gaat het door zijn hoofd: goh, zou dat heel kunnen blijven als je je best deed? Of: zo’n glas-in-loodraam, wat gebeurt er als er een glaasje uitvalt, je zou er een prop papier in moeten doen, en daar kan je iets opschrijven.

Ik herken dat soort gedachten, maar het verschil tussen wie ik van Rob heb gemaakt en de Roos die hier voor u staat, is dit: Rob haalt niet zijn schouders op om vervolgens verder te denken over wat hij die avond zal eten, of dat hij die ene vriend nog eens terug moet bellen. Rob grijpt die gedachte over het puzzelraam met allerlei tentakels vast, steekt er een rietje in, blaast hem op, rekt hem uit, ziet ondertussen een glazenwasser aan het werk en even schiet door zijn schrijversbrein; zou die hoger of lager in hiërarchie staan dan een schoorsteenveger, en hop, daar heeft-ie nog iets te pakken, tentakels eromheen, rietje erin, blazen maar. Rob is, wil ik zeggen, een soort tovenaar met zijn eigen verbeelding. Volgens mij moet je zijn werk niet lezen als een raadsel waar je de uitkomst van moet vinden (en dat die uitkomst dan is wat er eigenlijk bedoeld wordt met twee mannen die op een tandem aan hun kantoorbaan ontsnappen). Nee, spaar je de moeite, dat gezoek leidt maar af van waar het eigenlijk om draait; het feit dat verhalen aan fietsen groeien, uit fonteinen spuiten, in ieder raam spiegelen, van iedere man die zich kleedt in de kleur van zijn haar druipen. Dat de schrijver een man is die glimmers of krassen aanbrengt op de onbeduidende werkelijkheid. Een echt vrije schrijver, die wegkomt met geheime luikjes, moeders die opstaan uit de dood. Een schrijver die lol heeft om de vraag wat hij zijn lezers nu eens voor zal schotelen, waar hij nu dat rietje eens in zal steken, wat hij op kan blazen. Een schrijver die kijkt wat er gebeurt als hij een personage een vliegbrevet geeft, verdomd, daar gaat het verhaal de lucht in!

En dat een verhaal ook dit mag zijn: een verhaal. Een verhaal waarin de illusie niet gewekt hoeft dat de personages buiten precies het moment waarin we ze leren kennen nog iets belangwekkends doen, want het belangwekkende is het verhaal.  Van Jonathan moeten we weten dat hij samen met zijn officieel overleden moeder op zoek gaat naar het dak waar ze opgroeide tussen de schoorsteenvegers. Van Wildevanck dat hij besluit naar zijn werk te fietsen, ook al woont hij boven zijn kantoor. Van Scherpenzeel dat hij opdrachten uit zijn raam pulkt, zijn baas achtervolgt op de fiets, dat hij ‘ja’ zegt tegen alles wat op hem afkomt. Voor de duur van, daar gaan we weer, het verhaal dan toch.

Ik kom toch nog even terug op de uiterst particuliere maar daarom niet onbelangrijke vraag waar ik deze lofrede mee begon, namelijk: wanneer kwam Rob in mijn leven? In het autobiografische Kind van de verzorgingsstaat beschrijft hij een scène in een Amsterdams café, in de buurt van waar mijn ouders in de jaren tachtig woonden. Er komt een jong stel binnen, ze vieren dat de vrouw zwanger is, dat doen ze zuipend en rokend. Mijn moeder belde me na lezing van het boek op: ‘Dat moeten wij geweest zijn, je vader en ik,’ jubelde ze bijna, ‘Dat was daar, en zo deden we dat!’.

Misschien wel voor het eerst mailde ik Rob, in plaats van dat hij mij een mailtje stuurde. ‘Zou het?’ vroeg ik. Rob gaf heel gauw antwoord. Het kwam erop neer dat hij dacht dat het niet zo was, maar, aan de andere kant, ach ja, wie weet. Dus daar staan ze, mijn ouders, in het café waar Rob naar ze kijkt. Hij weet niet dat hij het kind van de zwangere vrouw over dertig jaar een e-mail zal sturen. Hij weet niet eens wat een e-mail is. Het kind van de zwangere vrouw proef prenataal haar eerste biertje en kent het woord ‘Rob’ nog niet. We zijn net zo echt als de stad Miniapolis, met de brug die honderden jaren oud is en het belachelijk groene land eromheen. Ja, daar moet die kroeg geweest zijn, vlak bij de brug, en Jonathans moeder kijkt door het raam naar binnen. Ze ziet een feest, misschien besluit ze ook wel tot een drankje. We zijn niet echt, we zijn een verhaal, en dat is nog veel mooier, er kan ieder moment ergens een geheim luik opengaan.

En ik wil niet zo iemand worden die ‘juist nu’ roept, of ‘in deze tijden’, want is het niet zo dat we in alle tijden verwondering nodig hebben, en in alle tijden zoeken we naar het moois. Hier ligt het, om ons heen, in de vorm van al deze verhalen, in het specifiek in de vorm van Miniapolis, een stad die geen stad is, en ook wel, en tegelijkertijd een maffe, prachtige Van Essense ode aan het verhaal.