Contact

Home

Grauwe stad, roze tong

Ik zit in een koffietentje aan het Spui. ‘Free Wifi’ staat er op het raam, het lijkt me een veilige plek om mijn laptop open te klappen zonder dat het onbeschoft is. Buiten is het koud, er komen veel meisjes in grote bontjassen langs. Hun Uggs baggeren door kauwgom en patatjes. De stad is niet schoon te krijgen. De viezigheid is in de straatstenen getrokken, het gaat in je kleren zitten. Als je er lang genoeg rondloopt gaat er van alles aan je kreukelen, dat is niet erg, iedereen kreukelt een beetje. Daaraan onderscheid je de dagjesmensen van de Amsterdammers. Kreukels. Dreadlocks. Een nauwelijks zichtbare grauwe waas. De blik die iedereen met een rolkoffer de gracht in wenst.
In het koffietentje is het niet fijn werken. Er is een vriend van de barista binnengekomen, ze praten heel erg hard over dingen die mij niet interesseren. De barista schreeuwt in elke zin de naam van haar vriend. ‘MAX!’ roept ze, ‘MIJN OUDERS HEBBEN PETER GOEDGEKEURD, MAX!’. De andere medewerker blaat: ‘DIE CHICK VAN VANNACHT HEEFT IN MIJN BADKAMER GEKOTST!’. Max vindt het hilarisch. ‘HAHAHAHA’ doet hij. Ze spreken Grachtengordels en tot overmaat van ramp noemt het meisje me u. De muziek staat hard.
Omdat ik onlangs naar Haarlem verhuisde en in Amsterdam geen fiets meer heb kwam ik lopen vanaf het Centraal. Op het Stationsplein botste ik tegen een haastige vrouw op.
‘Pardon’, zei ik.
‘Fffff’, zei zij.
Mijn jas was ongekreukt en mijn blik stond op dagjesmens, iedereen liep me omver. Niet veel later herpakte ik mezelf om gewoon net als iedereen over toeristen heen te klossen. Ik knikte alleen per ongeluk naar de coffeeshophouder die in zijn deuropening stond te roken. Hij rolde met zijn ogen, maar misschien kwam dat niet door mij.
De koffietent wordt me teveel, ik moet weg. Buiten leun ik nog even tegen het Lieverdje voor ik verder loop. Aan de overkant van het Singel dwarrelen gele boomblaadjes in de vroege zon, aan mijn kant rijdt een taxi een duif plat. Er schreeuwt een toerist naar de taxi. Langs me loopt een hond, haast net zo geel als de blaadjes, de hond ademt wolkjes. Ik vind het beeld van een hond die wolkjes ademt aandoenlijk. Bij mensen heb ik dat niet. Misschien heef het iets te maken met die roze tong in de ijzige winterlucht. De bazin van de hond loopt naar me toe op erg hoge hakken, haar voeten lijken op vorkjes. Ik groet haar omdat ze naar mij kijkt. Ze groet niet terug maar haalt een hardroze camera uit haar jaszak. Ze wacht geduldig tot ik het Lieverdje verlaat, zodat het eenzaam op de foto kan.

Deze column staat ook in Advalvas