Contact

Home

geestes-sorry-wetenschap

Ik heb wel eens onder vuur gelegen omdat mijn studie niet wetenschappelijk zou zijn, maar wel op een universiteit gegeven werd; Nederlands. En daarna, nog erger, literatuurwetenschap. Wetenschap, snoof men, alsof ik de studie zelf een naam had gegeven, is empirisch en met cijfertjes. Je kunt er atoombommen en medicijnen mee maken. De wereld er concreet mee veranderen. Ik murmelde in zo’n geval iets over academische vorming en het belang van de geestes-sorry-wetenschappen voor de ontwikkeling van een samenleving en het in stand houden van historisch, cultureel en democratisch besef. De kleine, filosofische ideeën die eventueel decennia later pas leiden tot harde berekeningen. Als ik op dreef was smeet ik met empirische literatuurwetenschap; dat bestaat, maar zou niet de enige reden moeten zijn om die magerende alfatakjes op universiteiten in stand te houden. Net zo min als rendement dat zou moeten zijn voor de bètastronken. Fundamentele wetenschap, met haar kwesties die niemand begrijpt en de ongehoorde theorieën die eruit voort kunnen komen, kost tijd en ruimte en die moet er blijven. De hoeveelheid oplossingen en overhaast geproduceerde publicaties is niet gelijk aan de waarde van een faculteit of individuele wetenschapper.

Ja, er moet geld zijn, want een vrijetijdsproject moet het niet worden; een probleem zo oud als de professionele wetenschap zelf. Maar kennelijk is het voor geldschieters belangrijk dat er direct resultaat te zien is, alsof je een euro in een snoepautomaat gooit. Of dat de wetenschap in kwestie op zijn minst sexy of marketable wordt want aan studenten, mits binnen vijf minuten afgestudeerd, verdient een universiteit ook.

Ik keek op de website van mijn voormalige opleiding. Die maakt nu onderdeel uit van een bredere studie. De uitgelichte hoogtepunten bestaan uit een te adopteren gedicht, creatief schrijven, een ‘virtuele uitgeverij’, het bezoeken van schrijvershuizen en vooruit; literaire analyse. Eerlijk is eerlijk: dit klinkt als een fantastische studie, maar wetenschappelijk?

Aan de docenten zal het niet liggen – die zijn goeddeels hetzelfde als toen ik studeerde en fenomenaal. En natuurlijk, die hoogtepunten zijn om een eerste, laagdrempelige blik op de studie te bieden, die verdieping is er heus nog. Toch lijkt het erop dat de wetenschap, of in ieder geval het opleidingsinstituut, niet meer in jongeren vertrouwt. Ze niet meer af mag schrikken, omdat ze er zoveel mogelijk binnen moet hengelen. Of ligt de lichtvoetigheid aan het feit dat studenten geen tijd meer hebben om de beroepspraktijk náást hun studie te leren kennen omdat ze dan wellicht (kostbare) vertraging oplopen? Moeten de hoge heren (helaas nog altijd minder dames) van de VU zich verantwoorden in retweets, draaien ze zich daarom in van die arme bochtjes, onderwijl de minder populaire talen (Frans? Duits? Leven de dode nog?) van zich afschuddend? Ben ik nors en vastgeroest?

Waarschijnlijk al het bovenstaande. Op andere faculteiten speelt dit soort zaken vast ook. En toch weet ik zeker dat ze, hoewel moeizaam, die stille genieën of hippe professoren (m/v) blijven produceren, omdat sommige mensen dat nu eenmaal tot in hun diepste vezel zijn. In deze wetenschappers – mensen die de mist in kunnen gaan, die tijd nodig hebben, maar die dingen kunnen bedenken waar ik nooit op zou kunnen komen – heb ik vertrouwen. Het is het internationale instituut eromheen dat wankelt.

Deze column verscheen in het themanummer ‘vertrouwen in de wetenschap’ van Advalvas.