Contact

Home

Frisse jongeling

Het Friese hotel – dat we geboekt hadden op de bonnefooi en omdat het bijna niks kostte – lag in een stad die bestaat uit een winkelstraat, wat kerken en kroegen, een voor onze arrogante stadsneuzen onverwacht formidabel restaurant en een korenmolen waar ‘louter demonstratief’ koren wordt gemalen. De stad is, las ik later op mijn telefoon, ook bekend om een bepaalde tak van paardensport.

“Hè, gezellig,” schertste ik toen mijn vriend ons in de Twingo naar ’t logement stuurde – we passeerden een kerkhof, opgeluisterd door hoge treurbeuken en honderden kraaien. Het lag precies tegenover het hotel, waarvan mijn vriend opperde dat we ons wellicht voor moesten bereiden op een geriatrisch welkom: het was net een bejaardentehuis.

In de kamer troffen we een douche met beugels aan en een onklaar gemaakt alarmknopje met een gedateerde afbeelding van een nachtzuster; ze heeft een kap op die tot haar rug afhangt, lange rokken, ze draagt een dienblaadje met bekertjes erop. Onderweg naar die kamer hadden we een oude dame ontmoet, die giechelend en wat onvast haar rollator voor zich uitduwde, onderwijl een klein protserig kerstboompje omverkegelend. “Ik zie het allemaal niet meer zo,” zei ze blijmoedig en zonder een spoortje spijt.

Inderdaad, we bevonden ons in een serviceflat, wegens gebrek aan lokale bejaarden tevens hotel. In deze contreien blijft men kennelijk te lang jong om alvorens onder de zoden te gaan, eerst nog even pal aan de overkant van een begraafplaats te gaan wonen.

Volgde een dag vol van activiteiten die je als stadse jongeling nu eenmaal graag uitvoert. Ik kocht een bundel van een dode dichter in een kringloopzaak, we bezochten een boerderij die in oorspronkelijk negentiende-eeuwse staat teruggebracht was en lieten ons daarbij onderhouden over de herkomst van diverse zegswijzen. Ook keken we, geflankeerd door kekbebrilde dames met hennarood haar en vilten kralen om hun stramme halzen, naar abstracte schilderijen in een museum – waar we uiteraard drie keer naar onze toegangskaarten gevraagd werden, ruig en onbetrouwbaar als De Jeugd nu eenmaal is. We aten een hapje, dronken een glas wijn en keerden slaperig van de enerverende uren hotelwaarts, alwaar we ons tevreden in de zachte matrassen lieten zakken met een boekje en een kopje thee. Beneden ons, in de lobby, was een feest bezig. Tientallen grijze koppen, in verschillende fasen van beneveldheid, riepen in het Fries dingen naar elkaar waarvan wij alleen flarden op hadden gevangen in het voorbij gaan. Pensioenregeling, Tsjechov, Beethoven; hoorde ik iets over die dode dichter van me? “Welterusten!”, had er één geroepen toen wij op onze jonge benen richting de lift wandelden. Hij proostte met een glaasje likeur onze richting op.

Na onze korte vakantie verlieten we opgeladen het hotel weer, waarbij we gniffelden om de leuningen langs de muren. Onze tred was wat verender dan anders. Hier moeten we van genieten, dacht ik, want rond je dertigste begint het jong, fris & schattige zo langzamerhand van je af te slijten. Terwijl ik soepel een bochtje rond een manshoog kerststuk maakte, kraakten mijn knieën bescheiden.

Deze column staat ook in Advalvas.