Contact

Home

Festivalvrees

Het moment die ik wist dat zou komen was daar: mijn telefoon ging en een goede vriendin vroeg me mee naar een festival. En hoewel festivals niks bijzonders zijn, sterker nog, in de zomer zijn er in Amsterdam meer festivals dan fietsen, was mijn eerste reactie onder de bank liggen met mijn handen voor mijn ogen terwijl ik een jammerend ‘nee, nee, nee’ uitbracht. Ik moest niet alleen drie dagen tussen heel veel mensen doorbrengen (de hel, dat zijn de anderen in korte broek en regenponcho) maar ook nog in een tent. Op een eiland. In de soort-van-herfst.
Begrijp me niet verkeerd; ik ben niet vies van een beetje regen. Door de modder rollen zou eigenlijk een geaccepteerde hobby moeten zijn. Goede muziek is beter dan drugs. Niks fijner dan dichtbij een kampvuur zitten, gaan slapen en de volgende dag nog steeds naar kampvuur ruiken. Maar met het kampeergedeelte gaat er onherroepelijk iets verkeerd, in mijn geval. Terwijl mijn vriendin op antwoord wachtte en ik onder die bank lag te grienen dacht ik aan de keren dat ik in een tent belandde en er plotseling, midden in de zomer, vorst aan de grond was. Ook herinnerde ik mij een tent die, ik was even een tekentang kopen, ten onder ging aan zeldzaam heftige slagregens. Door een blikseminslag stonden de tentstokken onder stroom. Als ik besluit te gaan kamperen, komt de hemel omlaag in de vorm van horizontale hagel en de grond omhoog omdat er mollen zijn die besluiten om precies onder mijn lekke luchtbed hun hopen te bouwen. Bovendien worden tenten waar ik in lig nogal verwisseld met openbare toiletten – is het eindelijk droog, begint er iemand over het tentzeil heen te zeiken. Logisch, trouwens, want meestal zijn de camping-wc’s drie kilometer verder, verstopt of zo nat dat je denkt: weet je wat, ik doe het wel in mijn thermopanty, dan heb ik het tenminste éven lekker warm, zo tussen de griepdromen door.
“Hallo?” zei mijn vriendin aan de andere kant van de lijn.
De laatste keer dat ik mij op een veerdienst naar een eiland bevond ging het zo hard stormen dat je niet meer naar buiten mocht. In een heel klein bootje – volgens mij vaart het niet meer – was iedereen in zijn rugtas aan het braken. De golven gingen óver het scheepje heen. Op de wc, de deur sloot niet meer, zat een bejaarde vrouw met diarree.
“Momentje,” zei ik, kroop onder mijn bankstel vandaan en bekeek de line-up van het festival.
Ik kende één artiest. Van naam. Allemachtig; je oud voelen betekent niet dat je knieën gaan kraken, je kreunt bij het opstaan, je in je broek plast als je hard lacht – nee, ouderdom is een steen waar je uit gewoonte niet meer onder vandaan komt, zelfs niet als er om je heen allemaal mooie dingen gebeuren. Hoe groot is in vredesnaam de kans op vorst in september?
Als Vlieland in zee is verdwenen tegen de tijd dat dit stukje verschijnt: sorry, ik was het maar.

[Deze column komt uit Advalvas]