Contact

Home

Eerlijke Burgers

De bus leek een noodstop te maken. Mijn buurvrouw, een dame als een verkreukelde japon, maakte een geluidje dat ook als echolocatie dient bij het vinden van medestanders. De vrouw voor haar knorde terug.
“Ja hoor”, riep de chauffeur door een microfoontje dat hij met zijn stemgeluid niet nodig had, “Kom maar effe naar voren!”
Van achter klonk hartgrondig en creatief gevloek, maar ten slotte droop er een jongen tergend langzaam het gangpad door. Het chipapparaat gaf een droeve toon toen hij zijn kaart ervoor hield.
“Goed zo”, galmde de chauffeur door de microfoon, opdat niet alleen de jongen hoorde dat hij aangesproken werd als een peuter, maar ook zijn vrienden.
De jonge zwartrijder liep, iets sneller nu, terug. Toen hij mijn buurvrouw – immer knorrend – passeerde veerde ze bijzonder snel voor haar leeftijd op.
“Net goed, smeerlap!” schreeuwde ze hem na, “Nou heeft ie je mooi te pakken!”
Dit was de derde keer tijdens de rit dat dit gebeurde. Ik kwam te laat op mijn werk maar vermoedde dat de chauffeur nog een veel ergere rotdag had, laat staan al die jochies die dachten: yolo, ik ga gewoon grátis vandaag. Mijn buurvrouw, daarentegen, smulde. Ze pruttelde nog wat na terwijl ze mijn blik probeerde te vangen. Toen dat niet lukte zei ze tegen de vrouw voor haar: “en daar betalen wij dus voor hè. Smeerlapperij. Geen wonder dat die kaartjes zo duur zijn. Met hun uitkering lekker zwart in de bus. De centen groeien me niet op de rug.”
Aha: Een Eerlijke Burger Waar Iedereen Het Kennelijk Op Gemunt Heeft. De dame met de 65+ korting in de bus, die denkt dat ze betaalt voor de zwartrijder. De zwartrijder die zwartrijdt omdat het systeem altijd hem moet hebben. De politicus die roept dat Polen iedereens baan inpikken. De loonslaaf die roept dat andere mensen gewoon op de bank kunnen zitten met een uitkering – van zijn geld. Die blik naar binnen die ervoor zorgt dat sommige mensen denken dat alles met hen te maken heeft, waardoor ze permanent met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een gezichtsuitdrukking alsof ze net uit een burenruzie komen door het leven gaan.
Aldus mijmerde ik (de onschuld zelve) de vroege ochtend door, terwijl de bus zo nu en dan gillend tot stilstand kwam om een baldadige scholier gelegenheid te geven de reis van mijn buurvrouw te betalen, als hij tenminste zijn lancering door het gangpad overleefde. De laatste jongen die naar voren gefloten werd zag er zo keurig uit dat hij alleen maar Frans kon zijn en dat was ‘ie ook. Paniekerig haalde hij een kartonnen kaartje langs het apparaat, de Nederlandse scheldkannonade van de chauffeur en mijn buurvrouw beantwoordde hij met een ‘mais je ne comprend pas, je m’excuse!’.
“Aaaah,” zei de vrouw, “Fransees! From ze kemping! Holland is nais, he?”
De fransoos wierp een wanhopige blik naar een al even frisgewassen meisje, dat haar handen vragend ter hemel hief.
We werden ingehaald door de volgende bus, vermoedelijk vol zwartrijders, het zag er erg gezellig uit.

Deze column staat ook in Advalvas (p. 25).