Contact

Home

De pont – IJforel

Onderweg naar de pont kom ik langs de Reguliers en hoe dichter ik bij de Reguliers kom hoe meer regenboogvlaggen en travestieten ik zie. Ik vind voor één keer het stoplicht bij de Munt niet het vervelendste stoplicht van de stad, met grijns die zeer doet fiets ik langs bakfietsen, bierfietsen, macbikes, fietstaxi’s en scooters. Ik ben zo snel dat ik helemaal als eerste bij het IJ ben.
Op de aanlegboot staan drie mensen te vissen. Eén met sportschoenen en een wit shirt en heel veel tribal-tatoeages – ik zou hem eerder op een fout festival verwachten – één wat oudere heer met een zonnehoedje en zo’n beige hesje vol met zakken die vast vol met aas en loodjes zitten en een vrouw wier T-shirt steeds tussen de plooien van haar lijf blijft zitten. Ze vissen precies op de plek waar over een minuut of wat de pont zal aanmeren en terwijl het platvorm volstroomt blijven ze vissen, ze hebben werphengels die ze eerst achterwaarts over de hoofden van de wachtende mensen zwaaien alvorens de lijnen los te laten in het water. Ik vraag me af waar ze naar vissen, wat er in het IJ leeft. Snoeken misschien, baarsjes, zouden er forellen bij zitten? Twintig jaar geleden stond ik ook wel eens te vissen op een steiger, mijn buurjongen moest de vissen van de haakjes halen omdat ik dat goor vond en ik was altijd een beetje teleurgesteld als we de vis niet mochten opeten, want dat doe je tenslotte met vis. Kijken naar een dobber is vreselijk spannend, maar dat begrijpen alleen mensen die wel eens naar een dobber gekeken hebben – dat doe ik nooit meer, maar vis eten doe ik nog steeds graag.
Deze mensen, Duitsers, laten die IJbaarzen gewoon voor de lol in een haakje bijten dunkt mij, want vis die je hier vangt zal bij consumptie wellicht vreemde bijwerkingen hebben. Projectielbraken, licht geven in het donker, je weet het niet. Hoe meer mensen er op de aanlegboot komen staan, hoe breder de vissers worden, alsof ze belangrijk zijn. Ze kijken nadrukkelijk niet naar de reizigers en andersom is dat precies hetzelfde, alleen ik staar. Naar die Duitsers en naar hun dobbers. Ze vangen niks. Als de pont er bijna is gaan ze opzij en vissen ze door.
Terwijl we wegvaren blijf ik door een raampje van de pont naar de vissers kijken. Die met de tribals ziet mij ook, hij zwaait en steekt zijn duim op en als ik niet terug zwaai steekt hij zelfs zijn hand met de hengel erin in de lucht, waardoor ik me betrapt voel.
Naast me verbazen twee Britten zich hardop over de lange schepen die voorbij komen varen; de vrouw denkt dat ik er ook naar kijk en vraagt of ik weet wat ze vervoeren. Nee zeg ik, maar de boot erachter vervoert pannenkoeken, daar moet je wezen. De man zegt: I don’t like pancakes. Hij lacht helemaal niet. De vissers keurt hij geen blik waardig. Hij zal ook niet van vis houden.