Contact

Home

De pont I

De pont is verplaatst, althans, de aanlegplek. Nu maakt de boot een scherpe bocht op het IJ om aan de overkant te komen en als die overkant het Centraal Station is stopt ze nu afgezonderd van de andere veren. Er staan tientallen mensen te wachten op een geïmproviseerde kade, die kade is ook een boot, sommige mensen worden niet helemaal goed als ze erop staan terwijl er zware schepen langs varen.
We schommelen. Het is stil behalve het klotsende IJ en het geluid van het station. Ik sta helemaal achteraan op mijn racefiets geleund, het is druk. Naast me staat een vrouw met een iPad op haar stuur, ze speelt een spelletje, haar fiets staat heel onhandig en blokkeert de doorgang voor een andere vrouw. Die andere vrouw heeft een oude damesfiets met een splinternieuw kinderzitje zonder kind erin. In haar oren hangen grote harten van doorzichtig plastic. De pont legt aan (een schok, meer schommelen, een toerist roept o my God) en de oorbellendame wil er langs terwijl haar buurvrouw niet beweegt.
‘Godverdomme’, vloekt die met de oorbellen en ze rijdt woest haar fiets door de barricade die haar opgeworpen is.
‘Sjezus hee, ik zou heus wel opzij gaan,’ zegt de vrouw die haar ogen niet van de iPad haalt, en nog altijd als enige overdwars op het dek van de aanlegboot staat.
Rollende ogen, overal, behalve op haar scherm. Ik til mijn fiets over haar bagagedrager heen. Iedereen is voor de die met de oorbellen, dat is duidelijk. Dan zegt die met de oorbellen: moet ik je op je bek slaan anders?
Ik probeer door te lopen maar voor mij stopt een lompe vrouw met dikke lippen en sluik haar, ze houdt ook de kerel naast haar tegen en ze roept: pa, pa, die vrouwen maken ruzie!
‘Als je durft, hoer!’ gilt de vrouw van de iPad.
Er zijn hier in korte tijd drie dingen gebeurd die heel ver van me af staan. De dame die niet gewoon mokkend doorloopt maar een fysieke krachtmeting voorstelt, de vrouw met de dikke lippen die de sensatie benoemt en anderen oproept hem te aanschouwen en tot slot de iPadmevrouw die iemand die haar voor d’r bek wil slaan provoceert. Eigenlijk heb ik zin om tussen de vrouwen (nu schreeuwen ze, die met de oorbellen maakt boksbewegingen, die met de iPad is veel groter) in te gaan staan en te roepen ‘kappen nou,’ zoals je met opgefokte kinderen doet maar ik schuifel door. Ik ben niet zo van de fysieke krachtmetingen, ik ben altijd ieler dan de ander en ik geloof graag dat ik ook pacifistischer ben. Maar misschien komt dat pacifistische wel voort uit dat iele.
De pont vaart, de ruzie is geluwd door een mannenstem, naast me komt de vrouw met de oorbellen staan. Kankerbitch, zegt ze tegen niemand in het bijzonder. Ik kijk door het raampje naar het IJ dat de hete zon weerkaatst en naar een belachelijk groot schip dat volgens mij helemaal niet kan drijven maar gewoon erg lange poten heeft waarmee ze de wereldzeeën doorwaadt. Van de kant van de kwaaie vrouw komt nu een kiestoon. Als die stopt zegt ze tegen degene die ze belt dat ze naar het IJplein moeten komen om iemand een lesje te leren, een wijf met een paars hemd en een iPad. Gewoon een paar klapjes. Nu kijk ik de vrouw aan en ze kijkt terug en ik ben niet bang, alleen verbaasd, ik denk: moet ik nou wat zeggen, of wachten tot iedereen van de pont is en verzekerd zijn van het feit dat een mij onbekende vrouw geen klapjes krijgt van een mij onbekende groep mensen? Ben ik een moraalridder, moet ik me hier niet mee bemoeien, ben ik een lafaard als ik fiets, waarom heb ik in hemelsnaam niet een pontje later genomen?
We zijn aan de overkant en de klep van de pont piept, we lopen er allemaal af en volgens mij fietst iedereen weg, ik kijk niet achterom.