Contact

Home

Dan gaan we naar Groningen

Volgens een nieuwsbericht in Advalvas – ik moet aan buitenstaanders altijd uitleggen: ‘De Folia van de VU’ – riep een UvA-student bij het debat over de toen nog dreigende samenwerking tussen de bètafaculteiten van de UvA en de VU uit: “Ik ga nog liever in Groningen studeren dan dat ik college moet volgen aan die gereformeerde universiteit in Amstelveen.” Lieve hemel. Nog erger dan Groningen. Dan zink je kennelijk nogal diep.

In 2004 besloot ik Theaterwetenschap te gaan studeren aan de UvA. Ik hield het een half jaar vol. Een korte eeuwigheid doolde ik van collegezaal, naar overvolle studiezaal, naar schouwburg en vaak ook naar studentenbalie, want zo nu en dan bestond ik volgens de administratie opeens niet meer. De in mijn geval onfortuinlijke studiekeuze lokte in mijn omgeving soms opgetrokken wenkbrauwen uit, maar het feit dat ik aan de UvA ging studeren werd gewoon geaccepteerd. Toen ik vijf jaar later besloot me in te schrijven aan de VU snapte iedereen direct waarom ik Nederlands wilde studeren, maar waarom in vredesnaam daar? Kwam ik soms stiekem niet uit Amsterdam? Hield ik niet van daglicht? Ging ik ook een hoofddoek dragen? In het beste geval knikten mensen begripvol en zeiden: “goeie vrienden van mij hebben ook aan de VU gestudeerd.”
Over de VU ging – en gaat – ook het gerucht dat mensen er niet komen voor het maken van vrienden en het zuipen van bier, maar voor het studeren. Dat riep ik van weeromstuit dan ook een tijdje heel hard, iedere keer als iemand over zwarte kousen of huiswerk begon. Toen maakte ik per ongeluk vrienden op de VU, die ook nog eens bier lustten, en had ik natuurlijk geen poot meer om op te staan. Oppervlakkig gezien is de VU dus niet zo cool, en op de UvA lopen alleen maar krakers en communisten rond. Zo, hebben we die ook weer gehad.

Ik waag me nu trouwens niet dieper dan die oppervlakkigheid. Het samenwerkingsvraagstuk is veel te ingewikkeld om er in een paar woorden iets zinnigs over te zeggen, en straks moet ik ’t opeens wetenschappelijk gaan onderbouwen. Maar nu ik toch aan die oppervlakte drijf: wat bindt op dat vlak de VU en de UvA eigenlijk? Dat is waarschijnlijk meer dan de student op eerder genoemd debat voorzag (zou hij trouwens al in Groningen wonen? De wachttijd voor een kamer is daar maar 6 maanden…)

Ongeveer 5600 wetenschappelijke medewerkers en 57250 studenten, die allemaal hopen dat ze niet dupe worden van wrede bezuinigingen – dat bindt de universiteiten. Maar ze hebben sinds kort ook allebei een nieuw studentenregistratiesysteem, waardoor de student nu niet alleen op de UvA het risico loopt om op papier plots niet meer te bestaan, maar ook op de VU kan verdwijnen in het zwarte gat van een prijswinnend administratiesysteem. Cateraar Eurest bedient beide instellingen, zodat men vanaf heden niet alleen op de VU, maar ook op de UVA terecht kan voor een biologische schoenzool met maggi. En, last but not least, delen ze een geloof. Echt waar, Groninger; het bestuur van de VU bestaat deels uit godvruchtige heren, maar de UVA heeft er ook één.

De VU en de UvA delen kortom God, cateraar en toekomst. Vooral met het oog op dat laatste ga ik er vanuit dat de universiteiten, of eigenlijk hun kundige bestuurders, het beste voor hebben met de mensen die ze onder hun hoede hebben. Zo nee; kunnen wij, studenten, godverdomme altijd nog naar Groningen.

Deze column sprak ik uit bij het Foliadebat over samenwerking tussen de VU en de UvA. Hier het verslag van Peter Breedveld.