Contact

Home

Broek

Broek in Waterland glom van de zon, er bloeide een haast ongeloofwaardige hoeveelheid bloesem en aan het grote water stond een IJscoman, Luciano, die alle buurtkinderen bij naam kende. Hij groette me. De kinderen groetten me ook. Ik stak onwennig mijn hand op omdat ik in de veronderstelling verkeerde een anonieme voorbijganger te zijn, maar die heb je daar kennelijk niet. Ik liep over het gras omdat er verder alleen weg was. Blinkend schone auto’s. Knikkende bestuurders. In mijn tas zat een fototoestel waar ik vergeten had een rolletje in te doen. Jammer. In prettige stilte wandelde ik voort.
‘Broek aan het verkennen?’
Hij had een buiktasje voor. Met zijn kin omhoog monsterde hij zijn omgeving, waarin ik, en niet die prachtige huizen in alle kleuren of de bloesem of het spiegelende water, het opvallendst was. Ik was op het dorp geplakt en hoorde er niet bij, dat kon je ergens aan zien.
‘Ik ben mijn verkoudheid eruit aan het lopen,’ zei ik, omdat ik voor ik iets kon zeggen moest niezen.
‘Een lekkere wandeling door ons dorp dus,’ concludeerde hij, ‘ik ga eens even kijken of de kerk open is.’
De kerk stond recht voor ons. Met zijn handen achter zijn rug liep hij erheen, of de kerk open was zag ik niet, ik nam een andere bocht.
Een straat uit een schilderij, mensen die in hun tuin aan het water de krant lazen, nog meer bloesem, een begraafplaats met kunst erop, galerieën, passanten, goeiedag, lekker weer, hai hai, hallo. Het ruikt verdomd lekker, in Broek in Waterland.
‘Weet jij eigenlijk waar dat vandaan komt, Broek in Waterland?’
Het is dat zijn kleren droog waren, anders had ik zeker geweten dat hij geruisloos uit het water was opgestegen. Hij had nog steeds zijn handen achter zijn rug. De kerk was dicht.
‘Als dat je interesseert hoor, anders vertel ik niks.’
Hij keek naar mijn neus, waar een ringetje inzit, daar wilde hij iets over zeggen, dat zag ik, maar hij deed het niet. Hij krabde aan zijn neus.
‘Vertel maar,’ loog ik. Ook al vermoedde ik een lange uiteenzetting over moerasgrond, ik wilde ondanks mijn desinteresse niet ongeïnteresseerd overkomen. Raar, hoe dat werkt.
‘Broek,’ zijn toon was die van een onderwijzer, hij haalde diep adem voor de uitleg die zou volgen, ‘dat betekent: land in water.’
Zwijgend bleef hij naast me lopen en hij staarde naar me, alsof hij bang was dat ik stiekem iets zou verschuiven in het uitzicht. We waren alweer bijna bij de kerk.
Ik verbrak de stilte door te vragen of er een fotozaak in de buurt zat. Of hij dat wist, hij was hier bekend tenslotte. De man met de buiktas schrok zichtbaar – misschien had hij niet verwacht dat ik zelf óók praatte.
‘Weet ik niet. Ik ken het hier niet.’
Een stuk vlugger dan eerst wandelende hij zonder om te kijken weg.
‘Doei,’ probeerde ik.
Zijn tred was ferm maar niet verend, alsof hij met elke stap iets in de grond stampte. De moerasgrond, dacht ik, en slenterde verder.