Contact

Home

‘Waar zijn wij mee bezig, mevrouwtje?’

De conductrice die chipkaarten controleerde in de trein, ging daar mee door terwijl ze die van mij vasthield.
‘Pardon,’ zei ik, ‘Mag ik van u mijn kaart terug?’
Ze negeerde me. Hier had ik argwaan moeten krijgen, koud zweet, oprispingen, maar nee: ik herhaalde mijn vraag, en lachte daar vriendelijk bij, we zijn allemaal wel eens verstrooid.

Dit was, op de valreep van 2014, een persoonlijk historisch momentje: in het afgelopen jaar verloor ik mijn buitensporige angst voor boetes. Het is geen onterechte angst. Ik weet vrij zeker dat er op alle politiebureaus in de Randstad én op alle NS-stations van het land, radars aanwezig zijn met als enige doel het lokaliseren van mij, in overtreding.

Mijn boetegevoeligheid gaat verder dan wat dwangsommetjes voor willens en wetens zonder licht op de fiets stappen of wildplassen op een plek die daar te onbeschut voor bleek (‘waar zijn wij mee bezig, mevrouwtje?’). Ook als ik mét licht fiets, maar het achterste lampje knippert buiten mijn weten en de wet om, krijg ik er een. Net als dat ik beboet ben voor het lopen door een stoplicht dat halverwege de zebra rood werd, voor het fietsen op vijftig centimeter voetpad tussen fietsenrek en fietspad en voor diezelfde fiets op de verkeerde plek in een leeg metrostel. Ook moest ik (onder andere) lappen voor een chipkaart die ergens tussen Amsterdam en Den Haag opeens defect bleek, voor het skaten op een verlaten fietspad in een buitenwijk, omdat mijn identiteitsbewijs drie keer in één jaar gestolen werd en, heel gek, voor het beledigen van een ambtenaar in functie. Natuurlijk, mag allemaal niet, maar kom op zeg. Geüniformeerd Nederland raakt compleet van de kook als ik in de buurt ben. Dan heb ik het niet alleen over mensen die boetes uit mogen delen, maar ook beveiligers van grote warenhuizen, die mij tot voor kort altijd extreem en ontzettend geheim en onopvallend achtervolgden zodra ik de draaideuren passeerde.

De conductrice scande omzichtig iedereens kaarten. Ze kwam weer bij mij uit.
‘Je rijdt dus zwart, meisje’ schreeuwde ze.
Ik zei dat ik mijn kaart bij een paal had gehouden. Die had gebliebt. Vervolgens vroeg ik me hardop af of ik misschien per ongeluk op de heenreis niet uitgecheckt had, waardoor ik dat nu had gedaan, zodat ik inderdaad, technisch gezien, zwart reed.
‘Dat heb je mooi verzonnen, meisje,’ smaalde de conductrice, die ik inmiddels wilde wijzen op mijn drie grijze haren en de beleefdheidsvorm van het ‘u’ zeggen.
Ze schreef een boete uit, en daarna nog één, omdat ik mijn paspoort niet bij me had (ik kijk wel uit).
‘Serieus?’ zei de man tegenover me, die ik direct wilde knuffelen, maar dan zou ik vast een boete voor seksuele intimidatie krijgen.
De conductrice rolde met haar ogen en maakte alleen van die laatste boete een prop.
‘Volgens mij apparaat reis je normaal altijd met de bus,’ foeterde ze totaal willekeurig.
‘Ja,’ zei ik, mijn wrede lot omarmend.
Als u me zoekt: in 2015 blijf ik binnen.

Deze column verscheen in Advalvas.