Contact

Home

Bang

Ooit ben ik uit een vliegtuig gesprongen. Met een ervaren parachutist op mijn rug die op zijn rug een parachute droeg liet ik me vallen. Tot dat precieze moment, het punt dat mijn billen geen vliegtuig meer onder zich voelden, had ik geen angst gevoeld: het feit dat ik vanaf een onwerkelijke hoogte honderden meters naar beneden zou suizen was simpelweg te abstract om te bevatten en dus deden mijn hersens er niks mee. Toen we eenmaal vielen schreeuwde de parachutist na uitbundig gejoel van louter zijn kant: “Vind je het niet leuk? Je bent zo stil!”
Het was inderdaad helemaal niet leuk. Ik was bang, maar vooral ontzettend kwaad. De wereld kwam met honderd kilometer per uur op me af en ik kon alleen maar denken: wat een ontzettend mislukte diersoort is de mens dat hij zichzelf dit aandoet. De parachute vouwde uit. Toen we op de grond stonden had ik warempel het gevoel dat deze idioot met minachting voor het gedachtegoed van Darwin mij gered had.
Een mens kan voor alle dingen bang zijn. Écht bang bedoel ik: gillende angst voelen met alle bijkomende verschijnselen van dien, zoals overmatig zweten, trillen, janken, flauwvallen, et cetera. Clowns kunnen die angst opwekken, bepaalde getallen, liften, de geur van bloemkool, lange woorden, pleinen, pindakaas die aan een gehemelte dreigt te plakken, haren, tieners, mussen, honden, naalden. Enkele van die angsten zijn vreemder dan andere maar wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal (meestal) ongegrond zijn. De bloemkool maakt je niet dood. Clowns zien er niet uit en zijn negen van de tien keer vooral heel gênant, maar daar is alles mee gezegd. Mussen. Kom óp. Maar het lichaam reageert alsof het van grote hoogte naar beneden valt en de wereld in een rotvaart op ’m afkomt. Geen parachute.
Ik lag bij de tandarts en dacht: ik val niet. Ook probeerde ik aan de karpers te denken die ik bijna kon zien vanuit mijn positie – in de binnentuin van de praktijk ligt een kleine vijver met gaas erover. “Tegen de poezen”, had de assistente gezegd, ik dacht aan poezen. Ik probeerde te blijven ademen en mijn handen te ontspannen en mijn benen stil te houden en vooral om niet te huilen maar het mislukte allemaal. Die tandarts wilde me niet dood. De pijn was tijdelijk. Het boren geen gevaar. Terwijl ik daar lag te snikken had ik medelijden met de tandarts, die had natuurlijk wel iets beters te doen dan in slow motion een vulling vervangen.
Na afloop van dit bloedstollende uur had ik niet het gevoel dat de tandarts mij gered had, maar het idee dat mijn bovenlip veranderd was in een binnenband en het vermoeden dat ik hevig kwijlde. Ik pinde de astronomisch hoge rekening en zei trillend gedag. Als iemand me voor de deur van de tandarts de keuze had gegeven een gebitsbehandeling of een tandemsprong die miraculeus cariës vult te ondergaan, had ik voor dat laatste gekozen. Stom dier, dat ik ben.

Deze column staat ook in Advalvas (p. 25)