Contact

Home

Anna “Vroegâh” Enquist

Anna Enquist is gasthoofdredacteur van de Letter&Geest-bijlage van Trouw en schrijft een essay. Deze kans grijpt ze aan om de krantenlezer te laten weten dat vroeger alles beter was:

“’Vroeger, ja, vroeger, toen er nog geen tv was, geen tablet en geen telefoon, toen doodden de kinderen hun tijd met oefenen op de viool of of gitaar, toen gingen ze elke week naar de muziekschool op hun kleine vorderingen te laten horen (…). Vroeger hoorden geduld en het uitstellen van directe bevrediging erbij. Je moest ook een paar jaar woordjes en grammatica leren voor je een boek kon lezen in een vreemde taal. Dit soort bezigheden waren gewoon en werden positief gewaardeerd.’”

Vroegâh. Toen er nog “doorzettingsvermogen en vlijt” werd bijgebracht. Toen kennelijk alle klassen (!) hun kroost de klassieke muziek bijbrachten. Toen poëzie nog echte poëzie was en geen happening (oh, wacht…). Toen kinderen niet dag en nacht met “communicatiemachines” bezig waren maar de hele tijd boeken lazen. “De huidige oppervlaktecultuur,” preekt Enquist, “is een regressieve beweging, terug naar de kindertijd.” Die oppervlaktecultuur ziet ze ook in bijvoorbeeld het televisieprogramma Maestro, waarin BN’ers voor even dirigent zijn van Het Balletorkest – volgens de schrijfster wordt hier ondanks alle goede bedoelingen voorbijgegaan aan het feit dat dirigent zijn een vak is, een “respectabel en ingewikkeld beroep”, dat jarenlange opleiding vereist. Dat zal niemand ontkennen. Maar hoe zit dat eigenlijk met het hoofdredacteurschap, dat Enquist voor de gelegenheid op zich heeft genomen?

Er zit ongetwijfeld een kern van waarheid in wat Enquist over de staat van het onderwijs en de huidige tijdsgeest schetst. Maar wat zo zonde is, en zo kortzichtig, ik durf te zeggen: oppervlakkig, is dat ze hele volksstammen wegzet als mensen die het vermogen missen om die verdieping zelf op te zoeken. Alsof de generatie waar ze over schrijft alleen maar in zich op kan nemen wat haar toegeschoven wordt. Dat is niet waar, dat kan niet waar zijn, je hoeft alleen maar met een “communicatiemachine” het internet op te gaan om bewijs van het tegendeel te vinden.