Contact

Home

Allemaal.

Ik zat op de fiets en naderde een punt waarop ik naar de overkant van de weg moest. Dat kan volgens de stadsplanning niet met de fiets, dus ik stapte af bij een zebrapad. In Haarlem stopt iedereen voor een zebrapad, behalve als je er met je fiets aan de hand staat de wachten. Dan tel je niet.
Het is voor mij heel makkelijk om dingen die ik hier opvallend vind ‘Haarlems’ te noemen, bedacht ik me. Het is een beetje het ‘gekke jongens, die Romeinen’-syndroom, maar dan met Haarlemmers. Ik liet me terwijl de auto’s voorbijraasden even gaan. Zo heb ik de indruk dat Haarlemmers niet kunnen fietsen, en dat bovendien bij voorkeur op trottoirs demonstreren. Ook vinden Haarlemmers het intens vreemd als je lopend op straat een broodje eet. Haarlemse vrouwen van boven de zestig kijken altijd (áltijd, hè, laat me nou even) afkeurend als ik een kort rokje aanheb. Haarlemse mannen daarentegen worden er niet warm of koud van, tenzij ze net een fust Jopen ophebben. Diezelfde mannen (die zonder Jopen, bedoel ik dan) hebben trouwens verdacht vaak bloemtjesoverhemden aan, en de vrouwen hebben net iets meer kapsel dan die in Amsterdam. De meisjes zeggen allemaal om de zin ‘errâg!’ Haarlemmers hebben volgens mij heel veel honden en die honden zijn van die gezelligerds, als je langsloopt terwijl ze op hun baasje wachten gaan ze pootjes geven en willen ze geaaid worden. Haarlemmers, althans, die in het centrum, zijn wit. Ze gaan keurig in de rij staan als ze de trein in willen. Haarlemmers kennen elkaar allemaal en komen de hele tijd al hun vrienden tegen op straat. Ze drinken allemaal (állemaal, ja. Láát me nou,) een biertje op zondagmiddag en als er een evenement is in de stad gaan ze er allemaal heen. In winkels doen ze aardig tegen je, ook als je niks koopt. Haarlemmers zeggen het niet tegen je als ze iets stom vinden, maar ze gaan er heel hard over klagen tegen hun gezelschap (‘GUNST, MIJN NIEUWE SJAAL RUIKT STRAKS HELEMAAL NAAR UITLAATGAS OMDAT IK ACHTER EEN BROMMER STA, MARIE, ERRÂG!’). Haarlemmers vinden een jongen en een meisje op een brommer niet cool. Haarlemmers zetten hun fiets maar op één slot, maar alle losse onderdelen worden er ’s nachts vanaf gestolen. Als je een Haarlemmer de weg vraagt loopt hij of zij het liefst helemaal met je mee, zodat je veilig aankomt.
Aldus stond ik daar, zoemend van de vooroordelen, erg lang te wachten tot ik eindelijk kon oversteken. Uiteindelijk wierp ik me – Amsterdammers hebben altijd haast – maar gewoon met fiets en al voor een langzaam autootje. Goddank stopte het. Achter de ruit zag ik een imposante kerel zijn armen ten hemel heffen. Ik zette me vast schrap, maar hij riep ‘pardon’ in plaats van uit te stappen en mij in elkaar te slaan. Besmuikt stak ik over. Gekke jongens, die Haarlemmers.