Contact

Home

Schoolslag (of: Vis, II)

De kade zo breed, de bomen zo groen en druk, het koolzaad vreselijk geel, bruin spiegelwater, ik ruik vis en oeveraarde, bouwzand ook. Het langgerekte gezeur van een metro, zon, zon, zon, net niet warm genoeg om zonder jas te kunnen. Nog ongeveer een maand misschien wel elke dag op dit bankje zitten lezen, daarna zal ik verhuizen naar een vaste plek. Een huis, geen container waar ik steeds uit wegvlucht. Toen ik het hoorde was ik zo blij dat ik bijna omviel, nu ben ik haast ziekelijk moe want mijn lijf is geen andere emoties meer gewend dan zelfmedelijden en verdriet.

Het lijkt passend om de Weespertrekvaart in te springen. Niet om te verdrinken maar gewoon, omdat. Stukje zwemmen. Iets doorbreken. Het allemaal ook niet weten. Is dat waarom er in romans (ik ben al lang van het boek dat op mijn schoot ligt afgedwaald) zo vaak spontaan gedoken wordt? Dat het personage even iets moet, de schrijver een gebaar wil maken, beweging wil. Er klopt iets niet, er zit iets scheef dat recht gezwommen moet worden. Ik weet eigenlijk niet of het wel zo vaak voorkomt als ik denk. Er schieten me een paar voorbeelden te binnen, omdat ik bij al die voorbeelden dacht: daar gaat er weer eentje. Ik moet dus eerder boeken gelezen hebben waarin personages te (bijzonder vaak: grachten-) water raken.

Een heerlijke grachtenpassage is die in Over de liefde van Doeschka Meijsing. De hoofdpersoon valt van een terras wat water in en gaat maar gewoon zwemmen, terwijl aan de kant met man en macht geprobeerd wordt die vrouw de gracht uit te krijgen. Ik zou het na willen lezen maar heb het boek nog niet meeverhuisd. Misschien zat ze niet op een terras, zwemt ze helemaal niet zo lang en ver als ik me herinner, is het niet donker, weerkaatsen er geen zwaailichten op het water op den duur.

Liever een verwarde schoolslag dan die andere oplossing als een schrijver het even niet meer weet, namelijk dat er dan maar middels een kunstgreep van jewelste een fictief dier wordt doodgemaakt om de algehele staat van ellende en wanhoop te schetsen. Een variant in films en series is een karakter dat mid-kotsen, met veel braaksel en gruwelijk gekokhals, in beeld gebracht wordt, het liefst terwijl er op de achtergrond iemand een kleinkunstgodverdomme te berde brengt.

Er komen roeiers langs, spanen die met een lekker geluid over het water scheren. Aan de overkant wordt gefietst, gelachen, een man alleen schreeuwt ter navigatie aanwijzingen in zijn telefoon: ‘DUIVENDRECHT’. Ik heb het gevoel dat ik niet alles kan zien. Net te weinig boom, net te weinig water. Alsof er iets voor m’n ogen zit dat er in de koude trekvaart uitgespoeld kan worden. Alsof door mijn sprong iedereen – de roeiers, de man die naar Duivendrecht wil, de mensen die me moeten redden en zwaailichten zullen ontsteken – zal begrijpen: er moet iets doorbroken worden.

Ik spring niet. Even overweeg ik dan maar iets anders dan mezelf in het water te gooien. Maar zowel het boek op m’n schoot als de pen waarmee ik er aantekeningen in maak zijn te fijn om kwaad van me af te werpen. In mijn jas zitten spullen die je beter niet kunt verliezen en de jas zelf is zwart, glad en absorbeert precies genoeg zon om me spinnend een kat in een vensterbank te wanen. Als er niet precies nu een enorme dode karper langsdobberde zou het, ondanks alles, helemaal kloppen.