vermoeid wolkje

Hij stond in zijn plantsoenendienstpak, precies in een bijzonder gure bocht van het pad, in de bevroren berm te prikken met een hark. Zo nu en dan bukte hij, raapte voorzichtig met zijn dikke handschoenen iets op, stopte dat in een diepvriestas.
Normaal gaat het andersom: de plantsoenendienst hoort naar mij te roepen, van lekkerweertjelacheenskopjekoffiebaby maar nu deed ik het.
‘Allemachtig,’ dampte ik vanachter mijn sjaal, ‘is het niet veel te koud?’
‘Moet toch gebeuren,’ zei de man, hij zocht nu iets verder de berm in, wroette tussen wit uitgeslagen gras en hard geworden hondendrollen. Weer vond hij iets, weer die zak in.
‘Nou en,’ antwoordde ik, ineens volledig bereid de barricades op te gaan, misschien vooral omdat ik hoopte dat die barricades verwarmd zouden zijn, ‘dit is onmenselijk!’
De man ademde een vermoeid wolkje mijn richting op en ik schaamde me – het laatste wat zo’n kerel nodig heeft is een wildvreemde vrouw die duidelijk niet aan het werk is en hem vanuit een dikke winterjas toeroept hoe zwaar hij het heeft.
Hij liep een stukje verder, zei: ‘Als het opwarremt zijn we nog verder van huis, ofniesoms?’
Achter hem zag ik een oude krant over het ijs waaien. Bij iedere windvlaag traanden onze ogen, alsof we elkaar ontroerden of voor altijd afscheid namen. Ook voor deze gedachte geneerde ik me – lekker pathetisch doen in de knispervrieskou, hou toch op.
‘Bedoelt u,’ ik bleef praten, ondanks mezelf, ‘als de aarde verder opwarmt?’
Nog zo’n wolkje, kreeg ik van hem. Bij nader inzien niet vermoeid maar een beetje gelaten, zo’n zucht die fietsenmakers slaken als ze zien dat je zelf hebt geprobeerd je versnellingen te verstellen, of tandartsen die voor de zevenhonderdste keer uitleggen hoe belangrijk flossen is. Andermaal boog de man zich, raapte, bekeek de vondst in de kom van zijn handschoenhand, monsterde mij, of eigenlijk: de sjaal die ik tot onder mijn ogen had opgetrokken, bestudeerde nog eens wat hij teder vasthield.
‘Is -ie van jou?’ vroeg hij, en toonde mij de neus – een fijn neusje met een zilveren knopje erin.
‘Nee,’ zei ik, zowel ontdaan als vereerd, ‘die van mij is veel roder en hij druipt.’
Een voor een hield hij nu de bermneuzen uit de dievriestas omhoog. Bij de bruine en erg grote of pokdalige exemplaren zei hij zelf steeds vast ‘ook niet’ en dan zei ik ‘nee’ en nadat we ze allemaal gezien hadden trok de man verontschuldigend zijn schouders op.
‘Jammer,’ zei hij, ‘had toch gescheeld.’
Hij gaf me flyertje met daarop het nummer van het gemeentelijke neuzendepot aan de westelijke stadsrand. Afhalen alleen met geldig legitimatiebewijs en een recente portretfoto, betalen (€22,50) alleen met pin of creditcard.
‘Laten opsturen kan ook,’ legde hij behulpzaam uit, ‘kost wel ietsje duurder, maar als ik u was zou ik het wel weten in die rotkou. Je blijft aan de gang.’
Ik zag gelijk wat hij bedoelde. Het orendepot, vermeldde de flyer, is wegens ruimtegebrek verhuisd naar een andere kille rand van de stad.
‘Heel erg bedankt,’ zei ik hem welgemeend, ‘ik had geen idee!’
‘Joe,’ deed hij, en toen ik me omdraaide om naar huis te gaan: ‘Als -ie er weer aanzit bakkie koffie?’