Twee korte verhalen, een recensie en een olifant

Twee korte verhalen

Voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam schreef ik de afgelopen tijd twee korte verhalen die nu op de verse website, een ware literatuurgoudmijn, terug te lezen zijn.

Je moet je fiets binnenzetten‘ schreef ik voor het programma Short&Kort, waarbij schrijvers de tagline (samenvattende zin) van een hen onbekende korte film krijgen. Die van mij was “Bevreemdende situaties ontstaan wanneer een jong vluchtelingengezin na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in een klein dorp in Nederland belandt.”

Sluit je ogen‘ is het resultaat van een science fiction-workshop van Monnik. Voor de verandering verplaatste ik mezelf niet in een geest, maar in een buitenaards wezen. Of eigenlijk: andersom.

Een recensie

Voor NRC besprak ik de verhalenbundel De hondenschool van de Hongaarse Edina Szvoren en concludeerde dat ik duidelijk geen Hongaar ben.

Een olifant

Vorige maand verscheen De olifant van de bovenbuurman. Arjan Peters besprak ‘m in De Volkskrant, op Hebban verscheen een mooie recensie van de hand van Anne Oerlemans en in HP De Tijd wordt geschreven: “Van Rijswijk (…) presenteert op droge toon telkens weer een volgende bron van geluidsoverlast. Dat werkt bijzonder komisch.” (hier een Blendle-linkje, De olifant volgt op Saskia Noort). In Het Parool en in De Morgen (tekst op aanvraag, staat niet online) verschenen interviews.

In Opium op Radio 4 sprak ik met Annemieke Bosman over (onder meer) de uitgave, en tot mijn grote vreugde draaiden ze zelfs Di Gojim.

Wat ben ik meer dan stilte

Een kleine oplage, gedrukt aan de Van Eyck Academie. Spookverhalen en spookgedichten, door ’t spook verteld. Tweetalig (Nederlands/Engels – 48 pagina’s). Onder redactie van Erik Lindner. Vertaling door David McKay, Illustraties Sophie Schmidt, ontwerp en druk Christophe Clarijs en Céline Mathieu. Mogelijk gemaakt door Ben Remkes Cultuurfonds.

Te verkrijgen door:
– Een abonnement te nemen op Terras, dan krijg je het boekje erbij! http://tijdschriftterras.nl/abonnement-1-jaar/

– Mailen naar info@janvaneyck.nl, onder vermelding van bestelling Roos van Rijswijk, Wat ben ik meer dan stilte. Kosten: 15 euro.

Dit is de inleiding:

Jaren geleden vertelde een van mijn oma’s, een nuchtere Friezin zonder neiging tot religiositeit of griezelen, dat ze op een nacht de buurman in haar gang tegen was gekomen. De volgende dag kwam ze erachter dat dit onmogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.

Aan deze wonderlijke anekdote heb ik een levenslange fascinatie voor het persoonlijke spookverhaal overgehouden. Niet zozeer de mythes, de djinns, de witte wieven, de bokkenrijders, maar de oma’s die dode buurmannen zien, de vrienden die een doorschijnende dame over straat zien lopen.

Ik geloof hartstochtelijk in spookverhalen, en ik geloof iedereen die weleens een geest heeft gezien op z’n woord – of ik ook in geesten geloof is een tweede. Het mooie van spookverhalen is, naast dat het heerlijk is om een spannend verhaal te horen, dat mensen ze in veel gevallen al vertellend repeteren. Een keer tijdens een etentje, dan tijdens een wandeling, voor nieuw publiek in de kroeg; ze leren spanning opbouwen, ze weten precies wanneer ze zich al dan niet willen verontschuldigen voor hun bijgeloof, ze laten op het juiste moment een stilte vallen. Ze weten welke details (het kraken! Het weer!) ze kunnen vergroten. Ze passen de verhalen in een spookverhalenmal of gaan er zelf mee aan de haal.

Er wordt wel gezegd dat er in Nederland, of het Westen, geen orale verteltraditie is. Ik denk dat die er wel is, maar kleiner, anekdotischer zo je wilt, in verhalen als deze.

Omdat het flauw is om die zorgvuldig vertelde verhalen zomaar over te schrijven en zelf met de eer te strijken, heb ik een aantal van de verhalen die mensen me vertelden herschreven vanuit het gezichtspunt van de geest in kwestie. Ook omdat het me een mooi idee lijkt: wij, de levenden, vertellen over de doden, maar als die doden daadwerkelijk ronddolen hebben ze misschien zelf ook wel iets te vertellen. En: heeft een geest een lichaam? Maakt hij zich nog druk over zijn gewicht? Kun je lol beleven aan bange tieners? Het zijn interessante vragen om over na te denken.

Veel dank aan Gerry Sytsma (✝), Ted Hyunhak Yoon, Tom Kok, Atze van Rijswijk, Jessica Segall en Elisa Caldana. Ook zeer veel dank aan het Nederlands Letterenfonds en de Jan Van Eyck Academie en al haar medewerkers en deelnemers, voor de prettige tijd en mooie verhalen bij het vuur. Veel dank aan cultureel centrum Mandril (Maastricht) voor de mogelijkheid tot het bouwen van dat (kamp)vuur.

[foto: Erik Lindner]

vermoeid wolkje

Hij stond in zijn plantsoenendienstpak, precies in een bijzonder gure bocht van het pad, in de bevroren berm te prikken met een hark. Zo nu en dan bukte hij, raapte voorzichtig met zijn dikke handschoenen iets op, stopte dat in een diepvriestas.
Normaal gaat het andersom: de plantsoenendienst hoort naar mij te roepen, van lekkerweertjelacheenskopjekoffiebaby maar nu deed ik het.
‘Allemachtig,’ dampte ik vanachter mijn sjaal, ‘is het niet veel te koud?’
‘Moet toch gebeuren,’ zei de man, hij zocht nu iets verder de berm in, wroette tussen wit uitgeslagen gras en hard geworden hondendrollen. Weer vond hij iets, weer die zak in.
‘Nou en,’ antwoordde ik, ineens volledig bereid de barricades op te gaan, misschien vooral omdat ik hoopte dat die barricades verwarmd zouden zijn, ‘dit is onmenselijk!’
De man ademde een vermoeid wolkje mijn richting op en ik schaamde me – het laatste wat zo’n kerel nodig heeft is een wildvreemde vrouw die duidelijk niet aan het werk is en hem vanuit een dikke winterjas toeroept hoe zwaar hij het heeft.
Hij liep een stukje verder, zei: ‘Als het opwarremt zijn we nog verder van huis, ofniesoms?’
Achter hem zag ik een oude krant over het ijs waaien. Bij iedere windvlaag traanden onze ogen, alsof we elkaar ontroerden of voor altijd afscheid namen. Ook voor deze gedachte geneerde ik me – lekker pathetisch doen in de knispervrieskou, hou toch op.
‘Bedoelt u,’ ik bleef praten, ondanks mezelf, ‘als de aarde verder opwarmt?’
Nog zo’n wolkje, kreeg ik van hem. Bij nader inzien niet vermoeid maar een beetje gelaten, zo’n zucht die fietsenmakers slaken als ze zien dat je zelf hebt geprobeerd je versnellingen te verstellen, of tandartsen die voor de zevenhonderdste keer uitleggen hoe belangrijk flossen is. Andermaal boog de man zich, raapte, bekeek de vondst in de kom van zijn handschoenhand, monsterde mij, of eigenlijk: de sjaal die ik tot onder mijn ogen had opgetrokken, bestudeerde nog eens wat hij teder vasthield.
‘Is -ie van jou?’ vroeg hij, en toonde mij de neus – een fijn neusje met een zilveren knopje erin.
‘Nee,’ zei ik, zowel ontdaan als vereerd, ‘die van mij is veel roder en hij druipt.’
Een voor een hield hij nu de bermneuzen uit de dievriestas omhoog. Bij de bruine en erg grote of pokdalige exemplaren zei hij zelf steeds vast ‘ook niet’ en dan zei ik ‘nee’ en nadat we ze allemaal gezien hadden trok de man verontschuldigend zijn schouders op.
‘Jammer,’ zei hij, ‘had toch gescheeld.’
Hij gaf me flyertje met daarop het nummer van het gemeentelijke neuzendepot aan de westelijke stadsrand. Afhalen alleen met geldig legitimatiebewijs en een recente portretfoto, betalen (€22,50) alleen met pin of creditcard.
‘Laten opsturen kan ook,’ legde hij behulpzaam uit, ‘kost wel ietsje duurder, maar als ik u was zou ik het wel weten in die rotkou. Je blijft aan de gang.’
Ik zag gelijk wat hij bedoelde. Het orendepot, vermeldde de flyer, is wegens ruimtegebrek verhuisd naar een andere kille rand van de stad.
‘Heel erg bedankt,’ zei ik hem welgemeend, ‘ik had geen idee!’
‘Joe,’ deed hij, en toen ik me omdraaide om naar huis te gaan: ‘Als -ie er weer aanzit bakkie koffie?’

8 maart: boekpresentatie ‘Wat ben ik meer dan stilte’

[English below]
Op 8 maart, om 15:00 uur, wordt in de schrijversstudio aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht een boekje van mijn hand gepresenteerd: Wat ben ik meer dan stilte – verhalen van geesten. 

De verhalen en gedichten in de kleine bundel zijn het resultaat van een vraag die ik een tijdlang aan de mensen om me heen stelde: ‘Heb je weleens een geest gezien?’

Of ik, of degene die ik sprak, daadwerkelijk geloofde in die geesten deed er niet toe – de verhalen, daar was ik benieuwd naar. En ik kreeg ze: een geest in een Koreaans ziekenhuis, een verschijning in een Nederlandse slaapkamer, een demon in een Argentijnse klerenkast…

De mensen die me hun spookverhaal toevertrouwden waren verbaasd, geschrokken of geamuseerd. Ik vroeg me af: hoe zouden de spoken in kwestie het beleven? Nog steeds doet de vraag ‘is het echt’, of ‘geloof je erin’ er hier weinig toe, trouwens. Het verhaal als gegeven, maar ook als literaire constructie – waarin je je als het nodig is nog in een stoelpoot in moet kunnen leven – dat doet ertoe.

Ik herschreef de anekdotes (een fijne verhaalvorm) die ik hoorde tot verhalen en gedichten vanuit het standpunt van de geest in kwestie.

Om met veel plezier het verhaal te vieren. Dat er verteld wordt, geluisterd, gegriezeld, verwonderd, en dat dit echt nog altijd en voor altijd, terloops of nadrukkelijk, overal gebeurt.

[Met dank aan: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustraties: Sophie Schmidt – Grafisch ontwerp: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Redactie: Erik Lindner – Vertaling: David McKay]

On March 8th, at 3:00 p.m., a short anthology of mine will be presented in the writers studio located at the Jan van Eyck Academy in Maastricht: What am I now but silence – Ghosts’ stories. 

The stories and poems in this anthology stem from a question I posed to the people around me: ‘Have you ever seen a ghost?’

Whether I, or the person whom I was talking to, believed in those ghosts didn’t matter – I was curious about the stories. I got what I asked for: a ghost in a Korean hospital, an apparition in a Dutch bedroom, a demon in an Argentinean closet…

The people who entrusted me with their ghost stories were surprised, startled or amused. It made me wonder: how would ghosts experience these encounters? Nevertheless, the question ‘is it real’ or ‘do you believe in this’ doesn’t really matter. The story as a given, but also as a literary construction – where you can even empathize with a chair leg, if needed – is what truly matters.

I rewrote those anecdotes (excellent story form) into stories and poems from the perspective of the ghosts.

To gleefully celebrate the story itself. To have it be told once more, listened to, with shivers down your spine, amazed, and that this really still keeps happening and will continue to do so, casually or purposefully, everywhere around the world.

[Thanks to: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustrations: Sophie Schmidt – Graphic design: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Editor: Erik Lindner – Translation: David McKay]

Verschenen: Calligram

Samen met beeldend kunstenaar Niek Hendrix maakte ik een boekje: Calligram is door Hendrix vormgegeven (zilverdruk, het glimt!) en van beeld voorzien, ik schreef daarbij een tekst over een U-boot, zeeklei, een moeder, een vari in een winkelstraat, de uitvinding van de tandenborstel en meer.

Er staat ook een Engelse vertaling in het boekje: die is gemaakt door Adinda Veltrop en Maria Maniaci.

Je kunt het boekje voor een luttele 5 euro bestellen bij De Ketelfactory, waar momenteel ook nog de tentoonstelling ‘Het Geheugentheater’ van Hendrix te zien is.

Seks

Een lezing die ik zou geven over mijn roman werd afgezegd door de organisator.
‘Er zit te veel seks in,’ zei ze, ‘ik denk dat ons publiek dat niet erg waardeert.’
De lezing zou voornamelijk gaan over de slaperige Duitse stad waar Onheilig zich deels afspeelt, in het kader van de Boekenweek. Hoewel ik de organisator geen kwaad hart toedroeg, het ging allemaal nogal knullig, moest ik wel heel erg lachen. ‘Dat ik dit nog mee mag maken,’ grapte ik op social media.

Mijn grap ontplofte in mijn eigen gezicht. Drie dagen lang kreeg ik e-mails en telefoontjes. Kranten, radio, boekhandels. Wilde ik langskomen, om over mijn seksboek te praten? Was het een idee als ik de organisator van de lezing verontwaardigd toesprak? Van een lokale omroep waart nog altijd het bericht rond dat ik een pornografische lezing ging geven. Harde (jaha) bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat het feit dat ik een vrouw in vruchtbare leeftijd ben iets met de ophef te maken had.

‘Ik wil graag langskomen,’ vertelde ik iedereen, ‘maar niet om een boekhandel te bashen.’
Dat was jammer. Daar ging de rel.
‘Bovendien,’ voegde ik naar waarheid toe, ‘heb ik geen erotische roman geschreven. Ik weet dat het een kwestie van interpretatie is, maar ik durf te zeggen dat niemand die het boek las er op die manier over na heeft gedacht. Of nou ja, bijna niemand dus.’

Aan de andere kant van lijn en scherm klonk twijfel en teleurstelling. Om niet al mijn eigen ruiten in te gooien, voegde ik een onvervalst stukje opscheppen, ballen en sterren incluis, aan mijn betoog toe:
‘Dat betekent niet dat er geen interessante dingen te zeggen zijn over die roman. Hij is goed ontvangen, vier sterren in de Volkskrant, vier ballen in NRC…‘

Maar waar was die seks dan, hijgde men. Zelf had ik daar even over moeten peinzen, na dat eerste, fatale telefoontje. Waarschijnlijk ging het om een korte passage, waarin één van de hoofdpersonages, een vrouw van tegen de zestig, niet zonder enige genoegdoening aan haar stervensbegeleider schrijft dat ze graag naar porno kijkt.

‘Je hoort nog van ons,’ hoorde ik, en daarna bleef het stil. Naar ik hoop omdat iedereen mijn roman aan het lezen is, wellicht vruchteloos met de broek op de enkels, maar toch.

Voor die nog niet aan het hele boek toe is gekomen, hieronder het gewraakte hoofdstuk. Ik kom hier, alsook over de rest van de roman, met liefde iets over zeggen. Ik trek m’n spannendste pakje aan.

Jacoba,

Het is bijzonder dat alles nog lijkt te werken, behalve dat ik af en toe verschrikkelijk moe ben, of een beetje kortademig, soms zeurt er iets in mijn bekken. Ik kan nog klaarkomen. Ik schrijf dit op en voel me direct smerig, daarom zeg ik het niet als ik bij je ben. Je zult vreemdere dingen horen, daar niet van, maar ergens dringt het beeld van mijn oude tantes op familiedagen zich aan me op, dames met kant langs hun lellende halzen en lippenstift in de plooien rond hun mond, vlekken van de rode wijn op hun tanden, een adem die ruikt naar douchegordijn en alcohol. Vieze grapjes die pas afschuwelijk worden bij gratie van de gore lach die erachteraan knarst. Jij hebt appelwangen en drie frisse kinderen.

Je vraagt hoe het gaat met schrijven en ik zeg: dat gaat goed. Dan praten we over praktische zaken zoals: wanneer regel je je eigen crematie?
Jij ziet eruit als een christen, maar ik wil je niet naar je God vragen.

De laatste keer dat ik seks heb gehad zal voorgoed de laatste keer zijn en het was net zo ongeïnspireerd als de eerste keer, maar dan in de wetenschap dat het beter kan. Mijn eerste en enige internetdate, een tip van Leendert. Een site voor hoogopgeleiden. Ik loog: kunstgeschiedenis. Gebruikte een foto van mezelf en niet van een jonge blom, zoals Leendert suggereerde, ik was het met een mooie rode jurk aan en haar tot mijn borsten, die verdomde borsten. Die foto maakte mijn zus op een dag vol zon, we aten koude pannenkoeken aan de Amstel, maar dat zette ik er niet bij.

We dronken wijn en bier en aten op Gerards initiatief in een restaurant aan het Museumplein, vlak bij de kunst waar we allebei niet over spraken, leugenaars, we neukten bij mij.
Ik veranderde mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en was als de dood dat hij op een dag onder mijn raam zou staan en ik was beledigd toen dat niet zo was.

De ziekte was er nog niet. Als ik had geweten dat-ie eraan kwam had ik het nog tien keer gedaan, met tien verschillende mannen en minstens één vrouw, al dan niet tegelijkertijd. Waar was ik mee bezig toen ik jong was? Niet met de juiste dingen, dunkt me, ik dacht: het komt nog wel. Die baan. Die twee mannen tegelijk. Die vrouw. Ook toen stond ik al voor een open raam rook langs mijn gezicht te blazen, zoals ze in films doen. ‘Je had ballerina moeten worden,’ zei Alfons; hij vond mijn houding mooi, mijn silhouet tegen de zon, in dat raam. Voor ballerina was het zelfs toen al te laat. Bovendien kan er net een walsje vanaf bij mij, mijn ware talent is klaarblijkelijk dat raam.

Ik kijk in bed naar porno en probeer niet aan mijn botten, longen, borsten, ingewanden te denken. Zo nat als vroeger word ik niet meer, als je dat wilt weten, Jacoba, jij zit nog in je vruchtbare jaren, dan gaat het anders. Het lekt niet meer mijn broekje door, de lakens in, maar het glijdt genoeg. De filmpjes waarin je ziet dat de vrouw nat is zijn het best, daar kun je tegenwoordig gewoon naar zoeken.
Vroeger was het leven overzichtelijker en rustiger – zonder internet, honderd tv-zenders, mobieltjes – maar terug zou ik niet willen.

Hoe het ook had kunnen zijn 3

We zijn in Duitsland, in een kleine stad met overal kersenbomen. De kersen zijn nog niet rijp. De straten zijn leeg. Waar is iedereen, vraag ik me steeds hardop af, zijn ze allemaal naar een feestje?

Mijn grote angst is dat iedereen naar een feestje gaat behalve ik, omdat ik niet weet van het bestaan van het feestje. Dat laatste is cruciaal. Als iemand me in het weekend belt en zegt: trek je mooie kleren aan, partytime, zeg ik dat ik net zo lekker lig.

I. denkt dat alle mensen in de kerk zitten. Om ons heen beieren van alle kanten klokken maar uit de kerken die we passeren komt geen mens. Soms rijdt er een auto voorbij, ontzettend snel, alsof in de bebouwde kom ook geen limiet bestaat. We zien gesloten winkels, een fontein waar algen uit druipen, dichte luiken, lege terrassen met stoelen die aan de tafels geklonken zijn, een bedrijf dat grafstenen verkoopt (leeg, donker, de stenen in de zon op het gras uitgestald, er staan vast namen op) en afwisselend miezert het of schijnt de zon zo hard dat kleren overbodig zijn. We staan midden op een groot grasveld waar we vorig jaar per ongeluk op een bijeenkomst van de Freiwillige Feuerwehr terechtkwamen – het bewijs dat hier ooit mensen liepen. Er zeurt een briesje door een leeg speeltoestel en op de midgetgolfbaan bij de Stadthalle liggen rotte bladeren. (…)

Lees verder op Tirade.nu

Hoe het ook had kunnen zijn 2

Elke keer als ik naar buiten moet gaat het regenen, bij ver fietsen harder dan bij een klein stukje lopen. Onderweg naar de pont regent het zo hard dat het haast onmogelijk is om nog iets te zien en na twee minuten fietsen ben ik zo doorweekt (mijn haar mijn trui mijn sokken zelfs mijn onderbroek) dat het niks meer uitmaakt – het had net zo goed droog kunnen zijn. Met mijn ogen halfgesloten ga ik langzaam voort, hoor ik hoe het op de bladeren regent, hoe het water in sloten kletst. Het is groen, in Amsterdam Noord, en dat is lekker. De geur van bos. Wanneer het nog harder gaat regenen, zo hard dat het zeer doet, schuil ik onder een brug.
Tegenover me staat een vrouw die zo op mijn oma lijkt dat ik haast met mijn armen wijd op haar af ren maar ik bedenk me; oma is dood, al jaren. Ik ruik geen bos meer maar de mossige geur van natte kelder die in haar huis hing en een parfum dat niet meer gemaakt wordt, ik wil dat die vrouw iets zegt om te horen of ze hetzelfde klinkt…

Lees verder op Tirade.nu.