Komt dat zien, komt dat zien

Zo, nog één keer hoor. Welkom Terug is eigenlijk voor in de huiskamer en op festivals, maar we zijn de beroerdsten niet en gunnen mensen zonder festivalbloed of huiskamer ook gewoon de kans om te komen kijken. Sterker nog, je kunt zelfs komen als je geen geld hebt, maar dan verwachten we die bijdrage-naar-eigen-inzicht natuurlijk wel in natura. Zaterdag ben ik er ook bij, dus als je stiekem wilt komen moet je dat vrijdag doen.

Speellijst:
27 april in het Gespuis, Spuistraat 47A-1 om:
19.15 uur
20.30 uur
21.45 uur

28 april in de Valreep, einde Polderweg om:
20.30 uur
21.45 uur

MET BIER EN VUURKORF NA AFLOOP!

Reserveren: info@theatergroepthomas.nl

Over Welkom Terug:
Robin en Eline hebben elkaar al jaren niet gezien. Nu halen de jonge zussen herinneringen op aan hun kinderjaren en de reden van hun breuk. Al snel blijkt dat het verleden niet zomaar begraven kan worden, en dat tenminste één van de twee dames pyromane neigingen heeft.
De korte voorstelling ‘Welkom Terug’ gaat over hoe je geheugen (en je familie) je verraden kan. Het is een authentieke Theatergroep Thomas-voorstelling, doorspekt met inktzwarte humor, stof tot nadenken en…een banjo.

Met: Roos Pollmann en Mijs Besseling | Tekst: Roos van Rijswijk | Regie en film: Anna van Keimpema | Muziek: Julia Reinhold | Zakelijke leiding: Merel van Dijk | Artistieke leiding: Gianna Witmaar | Productie: Minke Voorn | Vormgeving: Jop van Galen en Mirja Bons | Met dank aan: Taco Schenkhuizen, Daphne van Ommen, Het Gespuis, Studio Pollmann, Vrederick Photography, Lola beerendonk.

Check ook www.theatergroepthomas.nl

Ollanders

Wafel

Het schijnt dat mensen die een tweede studie willen volgen of te lang over hun eerste doen, de laatste tijd nogal eens uitwijken naar België. Betaal je hier voor die tweede keer studeren minstens 7000 euro per jaar, daar kom je weg met een bedrag van rond de 600 euro, met daarbovenop het feit dat je veel makkelijker een woning kunt vinden in Gent of Leuven. Geef die studiebollen eens ongelijk; en dan heb ik het nog niet eens gehad over de andere voordelen van leven in België (het bier, iedereen met een Vlaams accent, dEUS, chocola, had ik het Vlaams al genoemd?).
Ook in de Volkskrant werd melding gemaakt van dit verschijnsel. In het artikel stond dat de Nederlandse studenten vaker dan de Belgische studieachterstanden hebben, waarbij een verband met het eerdergenoemde Belgische bier gelegd werd. Uiteraard werden ter onderstreping van dit gegeven vooral verenigingsleden geïnterviewd die ook alleen maar over hun vereniging wilden praten. En over Guus Meeuwis, die zijn oude vereniging in Leuven met zijn aangeschoten aanwezigheid vereerd had. Vooral met het oog op dat laatste is het niet geheel onverwacht dat ze in België grappen maken over hun Nederlandse medestudenten. Het artikel sluit af met de uitroep die klinkt als er in het café een glas omgaat: of men de tafel even schuin wil houden. Kan de ‘Ollander’ het bier eraf drinken.
Een grapje over gierigheid, natuurlijk. Normaal niet iets om serieus te nemen (dat wij Belgenmoppen tappen betekent niet automatisch dat ze daar allemaal met een IQ rondlopen dat niet hoger is dan het aantal vakjes in een wafel), maar misschien nu wel iets om even over na te denken. De Nederlanders komen namelijk naar Vlaanderen omdat het er goedkoper is. Véél goedkoper, want voor een paar honderd euro krijg je de Nederlandse student zijn land niet zo snel uit. De Nederlandse regering liet het daar echter niet bij zitten en stelde, druk bezuinigend, alles op alles om haar jonge denkers de grens over te jagen (en om die grens dicht te houden, natuurlijk, want immigranten kosten vrij veel).
Op zoek naar meer moppen over Ollanders vond ik deze: ‘Hoe wordt ge schatrijk? Koop een Ollander voor wat hij waard is, en verkoop hem voor wat hij waard denkt te zijn.’ Tja. Dat is haast geen grap meer te noemen, met oog op het kabinet. Kan iemand de tafel even schuin houden?
—-
Deze column staat ook in Ad Valvas
Foto via drbakker

Brommende helikopters en maaiende buurvrouwen

Helicopter pilot

Er klinkt een helikopter. Het geluid is zo hard dat de deken waar ik onder lig trilt. Ik denk aan de piloot. Zou hij weten dat de mensen die onder hem in huizen wonen nu hun servies horen rinkelen in hun kasten? Hoe een helikopter klinkt weet hij vanzelfsprekend. Maar ik vraag me af of hij buiten aan de rover die hij in zijn zoeklicht probeert te vangen, ook aan ons denkt. De helikopter cirkelt langdurig rond, dat heb ik hier in de buurt vaker gehoord. Ik heb zelfs een keer in een zoeklicht gestaan. Toen zwaaide ik naar boven, waarop het licht verder zocht. Deze piloot moet gezien hebben dat ik zwaaide; in zo’n spot moet hij immers ook kunnen onderscheiden of hij een onschuldige voorbijganger belicht of een zware crimineel, herkenbaar aan bijvoorbeeld een merknaam op z’n trui. Althans, dat is mijn theorie.

Ik vermoed dat de piloot die nu boven mijn bed rondjes vliegt niet denkt aan de mensen die proberen te slapen. Hij zou alleen maar afgeleid raken omdat hij zich dan steeds in zijn hoofd zou moeten verontschuldigen: excuus, lieve slapers, voor dit geluid. In mijn hoofd is de piloot dus vrij nobel, maar vraag me niet waarom; er zijn vast ook klootzakken van piloten. Mannen of vrouwen die denken: als ik niet slaap, dan jullie lekker ook niet. Voor ons hier beneden maakt het weinig uit welk karakter de piloot heeft, natuurlijk. Je hoort de wieken sowieso. Ik vind het een leuk geluid, dat komt vast omdat je als kind in vervoering raakt wordt wanneer er een helikopter te zien is. Nu is er in mijn hersens een verbinding aangelegd: helikopter = cool. In andere landen is het misschien: helikopter = eng. Of: helikopter = eten. Zouden sommige mensen honger krijgen van het geluid van een helikopter?

Mijn onderbuurvrouw maakt net zoveel geluid als een helikopter. Door haar stem werd ik net wakker; de heli kwam er later bij. Shirley begint ’s ochtends vroeg met lawaai maken en eindigt er zo tussen één en twee mee. Ze schreeuwt tegen haar gasten en tegen de computer waarmee ze naar Ghana belt. Volgens mij schreeuwt ze ook tegen haar tv, haar bank en erg vaak tegen haar voeten, die dan terugstampen. Ze denkt niet aan mij of aan haar andere buren, waarmee ze in zekere zin met de piloot, of eigenlijk zijn helikopter te vergelijken is. Misschien zit er onder haar schedelpan wel een minipilootje, dat denkt: sorry, echt sorry mensen, het geluid is een bijproduct! Ik troost me met de gedachte dat mijn buurvrouw weliswaar geen zoeklicht heeft, maar hoogstwaarschijnlijk wel erg effectief is in het afschrikken van inbrekers, rovers en ander geteisem.

De helikopter wiekt weg, Shirley vloekt verder. Misschien slaagt ze erin al maaiend met haar armen op te stijgen, de piloot achterna. Ze zullen een fantastisch team zijn.
_______________________________________________________________________

foto via ulcahelo

Iets met mensen

Superwoman and Power Boy

Op de vraag wat je later het liefst zou willen doen, is één antwoord zo afgezaagd dat het de toehoorder in een spontane clichécoma kan doen vallen. En toch wordt het veel gebezigd: “iets met mensen”. Soms wordt er bedoeld: “Ik wil mensen (dus niet: dieren of computers) helpen het beter te krijgen in deze maatschappij”. Een andere keer zegt iemand: “Bijvoorbeeld op een reclamebureau, want dan ben je zeg maar echt wel best menselijk bezig met anderen.” Maar volgens mij is het meestal synoniem voor: “Aardig dat je het vraagt, wat zijn mensen toch aardig, ik weet het niet mensen, mensen, zullen we het nu gewoon over het weer hebben?”. Iets met mensen doen is vaag, maar geaccepteerd: er is zelfs een universiteit die ‘iets met mensen’ als slogan gebruikt voor opleidingen op maatschappijwetenschappelijk gebied. Als je daar afgestudeerd bent, ben je natuurlijk niet niet Master of Something Involving People, maar bijvoorbeeld gespecialiseerd in ontwikkelingssamenwerking.
Toch lijkt het idee van de opleiding ‘Iets met Mensen’ me niet zo heel vreemd. Het zou wel zo makkelijk zijn: je bezuinigt een stuk of wat professoren weg, dunt daarmee de administratieve werkzaamheden uit, ontstresst daarmee het voltallige team van een studentenbalie, verdeelt de overgebleven werklast over menslievende student-assistenten en voilà: je kunt als faculteit weer jaren vooruit. Datzelfde kun je dan doen in de vorm van de Bachelor in Digits. En wat te denken van een Master of Affinity with Objects that have Switches and Lamps? Er zullen generaties zeer breed onderlegde geniën afstuderen die daar wegens alle bespaarde kosten ook gewoon tien jaar over mogen doen (“mijn minor Algemeenheden was vrij pittig, vandaar”) en die na hun afstuderen werkelijk óveral aan de bak kunnen.
Ik sta niet alleen in dit idee. Op de Letterenfaculteit zijn ze al begonnen met het ontwerpen van ‘brede bacheloropleidingen’, zoals in de vorige Ad Valvas te lezen viel. Decaan Michel ter Hark wil dat letterenstudenten meer feeling krijgen met het bedrijfsleven. Of, zoals in het artikel te lezen was: ‘De excentrieke, ietwat wereldvreemde boekenwurm maakt plaats voor een moderne wetenschapper die van alle markten thuis is en weet wat er in de wereld te koop is’. Wauw! Alle markten! Dit wordt de opleiding der opleidingen! Arbeidsmarkt, hoedt u, want hier komen we: het stoffig proza van ons afgeschud en Master of Fucking Everything.
______________________________
Deze column staat ook in Ad Valvas
Foto via Nathan

Verre gesprekken: wenkbrauwen

‘Ik ben mijn wenkbrauwen bij aan het laten groeien’
-Ja man, ik ook
‘Eerst waren kleine wenkbrauwen helemaal hot, ofzo’
-Zeker
‘Ging ik gewoon naar school, traliela, met twee lijntjes daar’
-Ja man, iedereen was een fokking geplukte kip
‘Maneesha is nog steeds een geplukte kip’
-Maneesha is raar
‘Fokking kip’
-Je wenkbrauwen zijn echt dik
‘Ja maar met stoppels’
-Daar moet je even doorheen, had ik ook
‘Stoppels?’
-Ja niemand mocht dichtbij me komen hoor, fokking stoppels op me oog
‘Maneesha heeft stoppels op haar lip’
-Beter heb je stoppels op je oog
‘Daar moet ik even doorheen’
-Dunne wenkbrauwen zijn echt over
‘Jeweet’

(locatie: lijn 53 | sprekend: twee schoolmeisjes)

Jongeman

Boy Named Oloušek - 1/4

Wegens een verlate groeispurt en een gebrek aan vrouwelijke sierlijkheid werd ik tot iets te ver in mijn puberteit regelmatig voor jongen aangezien. Derhalve werd ik in winkels en op straat steevast aangesproken met “jongeman”. Eerst voelde ik de behoefte die aanname recht te zetten, maar de ongelovige blik van mensen als ik ze vertelde een meisje te zijn was zo mogelijk nog pijnlijker dan het eerdere misverstand, dus later liet ik het er maar bij. Wanneer er dus bij de bakker “jongeman” gezegd werd, zei ik keurig terug: “een halfje wit graag”. Soms kwam het voor dat mensen twijfelden; “Jongen”, klonk het dan uit de mond van leeftijdsgenoten op oorlogspad, “ben jij een jongen of een meisje?” Het antwoord op deze vraag was natuurlijk nooit goed, dus zei ik dingen terug als “eigenlijk ben ik een dolfijn”. Hierbij wil ik graag opmerken dat ik tegenwoordig hopelijk iets gevatter ben, maar soit, je bent maar één keer een onhandige puber.
Het dieptepunt van mijn leven als jongeman was een ouder stel dat naast me zat toen ik – opgedoft voor een avond uit – op een terras op een vriendin wachtte. “Dragen jongemannen tegenwoordig ook al hakken?” fluisterde de dame ontzet tegen haar gezelschap.
Mijn verbazing was groot toen ik rond mijn zeventiende steeds vaker met “meisje” aangesproken werd en net als mijn vriendinnen gezonde reacties losmaakte wanneer ik langs een steiger vol bouwvakkers flaneerde. Tegenwoordig slaag ik er zelfs in om met een rokje aan niet voor travestiet aangezien te worden. Toch heb ik aan mijn jongemannenfase een afwijking overgehouden: wanneer het woord vanachter een toonbank klinkt, voel ik me namelijk nog steeds aangesproken.
Zo ook vandaag, toen ik in de rij stond in een drogist. Voor me stond een vrouw haar trolleykoffer vol te laden met shampoo, achter me hoestte iemand in mijn nek. Om de rij heen rende een aantal kinderen met te veel suiker op, want het is voorjaarsvakantie. “Jongeman”, riep het meisje achter de kassa. Ik keek op. De caissière keek streng terug. Ik werd er haast nostalgisch van: was het weer zover? Maar toen verplaatste haar blik zich van mij naar een achtjarige die een verpakking chocolaatjes openscheurde en weer terug naar mij. “Mevrouw”, zuchtte ze, “is dat kind van u?” Ik voelde me terstond een heel oud meisje.

Deze column verscheen in Ad Valvas.

Welkom Terug in uw huiskamer

SPEL Mijs Besseling, Roos Pollmann | REGIE Anna van Keimpema | TEKST Roos van Rijswijk | www.theatergroepthomas.nl

Robin: denk je nog wel eens aan toen ik er was

Eline: ja

Robin: ik niet
als ik aan thuis dacht toen ik net weg was
probeerde ik zo snel mogelijk iets anders te bedenken
dan kwam jouw kamer per ongeluk in me op omdat ik iets lila’s zag-

Eline: die is nog steeds lila
ik hou van lila

Robin: nou
dan dacht ik: lila, begint met de L, denk aan iets anders met de L
ladekastje
maar nee, dat stond ook in jouw kamer
lapjeskat
niets in een lapjeskat deed aan thuis denken
lapjeskatlapjeskat
nu denk ik aan lapjeskatten wanneer ik lila zie

Eline: en als je een lapjeskat ziet nu
denk je dan aan mij

Robin: ik probeer lapjeskatten te vermijden

Denkt u ook wel eens: ‘ik zou wat vaker naar het theater moeten’? Of komt u maar niet aan cultuur toe omdat uw bank zo lekker zit? Blijf lekker zitten: Theatergroep Thomas biedt maar liefst 30 minuten cultureel verantwoord vertier en mooie dames in uw huiskamer…

Robin en Eline hebben elkaar al jaren niet gezien. Nu halen de jonge zussen herinneringenop aan hun kinderjaren en de reden van hun breuk. Al snel blijkt dat het verleden niet zomaar begraven kan worden, en dat tenminste één van de twee dames pyromane neigingen heeft.
De korte voorstelling Welkom Terug gaat over hoe je geheugen (en je familie) je verraden kan. Het is een authentieke Theatergroep Thomas-voorstelling, doorspekt met inktzwarte humor, stof tot nadenken en…een banjo.

Welkom Terug is te boeken voor op festivals, voor in bedrijfskantines en past óók gewoon in uw huiskamer. Waarbij we plechtig beloven dat alles heel blijft. Meer info? Preview zien? Mail Theatergroep Thomas, of bij drempelvrees gewoon mij.

Groet,

Schaamteloos zelfpromotende Roos

Voorwaarts, in principe

staatssecretaris Zijlstra en Hans van der Vlugt

Onlangs sprak ik een student die zei: “vanmiddag heb ik van iemand op mijn kop gehad omdat ik niet op het Malieveld sta; ik moet tegen de bezuinigingen protesteren.” Die heb ik ook wel eens gehoord. Onze generatie krijgt, zoals iedere generatie, tientallen etiketjes opgeplakt. Eén van de prominentste is ‘laks’. “Vroegâh,” begint iemand die twaalf jaar over z’n studie gedaan heeft dan, “stonden we direct met z’n allen de protesteren in Den Haag.”
Ik weet nooit zo goed wat ik dan terug moet zeggen. Nu de masterbeurs is afgeschaft zou ik met liefde op een plein gaan staan schreeuwen. Het kan me wel wat schelen. Dat vond de student die ik sprak ook. “Maar ja, heeft het zin?” vroeg hij vertwijfeld. “Misschien zouden we er alleen maar staan om te bewijzen dat we niet laks zijn,” zei ik, en zag mezelf al staan; toegejuicht door grijze mensen, Zijlstra met z’n rug naar de menigte. Ook laks. Zou ik ’t daarvoor doen?
Natuurlijk vind ik het verschrikkelijk dat studeren een financieel risico wordt. En het feit dat je nu door je bachelor heen moet racen, zonder tijd voor verdieping, is ook vrij belachelijk. Vooral omdat dezelfde mensen die zeuren dat het sneller kan, ook doorzagen over het feit dat ‘mijn’ generatie niet meer beschikt over verdieping. Iets dat me overigens schromelijk overdreven lijkt, ik neem toch aan dat er dertig jaar geleden ook al leeghoofden rondliepen.
Wat nu ontbreekt is, behalve geld, tijd. Volgens mij komt dat niet doordat studenten alleen maar bier slempen en tweets versturen in het weekend. We moeten namelijk ook werken om huis, studie, – vooruit, telefoon- en verzekeringen te betalen. “Vroegâh werkten we er niet zoveel bij” zegt de grijze meneer, om eraan toe te voegen: “als je geen arbeidservaring opdoet in je studiejaren, kom je natuurlijk nooit aan de bak.”
Tijd kun je maken ja, tot op een punt. Daarna moet het je –voor de verdieping, voor de toekomst, voor de kenniseconomie desnoods – gegund worden. Daar mogen studenten best hun nek voor uitsteken. Op het Malieveld, op de Dam, in de tuin van Halbe Zijlstra of lekker nostalgisch tijdens een sit-in op de universiteit (als je er maar geen duur bier bij nuttigt, krijgen we dat weer). Voorwaarts, in principe! Maar als u me nu even wilt excuseren, ik moet een scriptie schrijven. Anders krijg ik een langstudeerboete.

Deze column staat ook in Ad Valvas.  Foto via Kennisland.

Dan gaan we naar Groningen

Volgens een nieuwsbericht in Advalvas – ik moet aan buitenstaanders altijd uitleggen: ‘De Folia van de VU’ – riep een UvA-student bij het debat over de toen nog dreigende samenwerking tussen de bètafaculteiten van de UvA en de VU uit: “Ik ga nog liever in Groningen studeren dan dat ik college moet volgen aan die gereformeerde universiteit in Amstelveen.” Lieve hemel. Nog erger dan Groningen. Dan zink je kennelijk nogal diep.

In 2004 besloot ik Theaterwetenschap te gaan studeren aan de UvA. Ik hield het een half jaar vol. Een korte eeuwigheid doolde ik van collegezaal, naar overvolle studiezaal, naar schouwburg en vaak ook naar studentenbalie, want zo nu en dan bestond ik volgens de administratie opeens niet meer. De in mijn geval onfortuinlijke studiekeuze lokte in mijn omgeving soms opgetrokken wenkbrauwen uit, maar het feit dat ik aan de UvA ging studeren werd gewoon geaccepteerd. Toen ik vijf jaar later besloot me in te schrijven aan de VU snapte iedereen direct waarom ik Nederlands wilde studeren, maar waarom in vredesnaam daar? Kwam ik soms stiekem niet uit Amsterdam? Hield ik niet van daglicht? Ging ik ook een hoofddoek dragen? In het beste geval knikten mensen begripvol en zeiden: “goeie vrienden van mij hebben ook aan de VU gestudeerd.”
Over de VU ging – en gaat – ook het gerucht dat mensen er niet komen voor het maken van vrienden en het zuipen van bier, maar voor het studeren. Dat riep ik van weeromstuit dan ook een tijdje heel hard, iedere keer als iemand over zwarte kousen of huiswerk begon. Toen maakte ik per ongeluk vrienden op de VU, die ook nog eens bier lustten, en had ik natuurlijk geen poot meer om op te staan. Oppervlakkig gezien is de VU dus niet zo cool, en op de UvA lopen alleen maar krakers en communisten rond. Zo, hebben we die ook weer gehad.

Ik waag me nu trouwens niet dieper dan die oppervlakkigheid. Het samenwerkingsvraagstuk is veel te ingewikkeld om er in een paar woorden iets zinnigs over te zeggen, en straks moet ik ’t opeens wetenschappelijk gaan onderbouwen. Maar nu ik toch aan die oppervlakte drijf: wat bindt op dat vlak de VU en de UvA eigenlijk? Dat is waarschijnlijk meer dan de student op eerder genoemd debat voorzag (zou hij trouwens al in Groningen wonen? De wachttijd voor een kamer is daar maar 6 maanden…)

Ongeveer 5600 wetenschappelijke medewerkers en 57250 studenten, die allemaal hopen dat ze niet dupe worden van wrede bezuinigingen – dat bindt de universiteiten. Maar ze hebben sinds kort ook allebei een nieuw studentenregistratiesysteem, waardoor de student nu niet alleen op de UvA het risico loopt om op papier plots niet meer te bestaan, maar ook op de VU kan verdwijnen in het zwarte gat van een prijswinnend administratiesysteem. Cateraar Eurest bedient beide instellingen, zodat men vanaf heden niet alleen op de VU, maar ook op de UVA terecht kan voor een biologische schoenzool met maggi. En, last but not least, delen ze een geloof. Echt waar, Groninger; het bestuur van de VU bestaat deels uit godvruchtige heren, maar de UVA heeft er ook één.

De VU en de UvA delen kortom God, cateraar en toekomst. Vooral met het oog op dat laatste ga ik er vanuit dat de universiteiten, of eigenlijk hun kundige bestuurders, het beste voor hebben met de mensen die ze onder hun hoede hebben. Zo nee; kunnen wij, studenten, godverdomme altijd nog naar Groningen.

Deze column sprak ik uit bij het Foliadebat over samenwerking tussen de VU en de UvA. Hier het verslag van Peter Breedveld.