Contact

Home

Pardon my drama (of: Vis, I)

Ineens woon ik in een container. Het is te makkelijk om vaak te denken: zet hem maar op een schip naar China of Amerika, doe het tijdens die spaarzame uren dat ik slaap, zodat ik wakker word met uitzicht op zee en eindelijk, eindelijk zeker weet dat het niet aan mij ligt – dat ik echt geen grond meer onder mijn voeten kan voelen, alleen een eindeloze diepte vol troep en onbekende schemervissen.

De container is tijdelijk. Ik weet niet hoe tijdelijk en dat beneemt me zowel adem als levenslust. Nee nee, het is geen ramp, de container heeft ramen en verwarming en iedereen woonde als student in zo’n ding, de Hells Angels zitten al lang niet meer om de hoek van het terrein, er zijn mensen die in ergere omstandigheden moeten wonen, in hutten en kasten of in parken of sloppenwijken.

Het Kan Altijd Erger; dat is ook heel makkelijk om vaak te denken. Het helpt niet. Op de schaal van Mijn Persoonlijke Ergheid is het in een klap verliezen van huis, haard, hond en liefde een cijfer diep in het rood. In de container overdenk ik m’n eigen stommiteiten. Niet leuk genoeg zijn. Al mijn werk opzeggen om een boek te schrijven. Dat komt ervan, dringt zich door alle matheid aan me op, als je financieel afhankelijk wordt van je partner: dan daalt het lot direct op je neder als een grote Zie Je Wel. Even is er schaamte, daarna trekt alles om me heen weer dicht als een grijze diepte.

’s Ochtends word ik wakker en weet ik niet waar ik ben. In m’n dromen is alles nog zoals het was in eerdere dromen. Na het wakker worden val ik weer in slaap, om het een uur later over te doen. O ja, hier ben ik. Dan begint de buurman op zijn elektrische piano te spelen en ga ik aan het werk. Lezen, schrijven, het lot weer op z’n plek krijgen.

Hij speelt hele dagen, de buurman, uren achter elkaar. Tot voor kort steeds hetzelfde wrakkige deuntje, tot er op een nacht door een andere man bij gezongen werd; loepzuiver, dwars door alle valse aanslagen heen. Nu heeft hij een ander deuntje. Ook is hij gaan improviseren. Het is werkelijk een belabberd pianist, die buurman van me, wel houdt hij vol. Zonder koptelefoon. Voor ergernis ben ik te moe, voor zelfspot ook, geloof ik, pardon my drama. Dat het gezang van eerder mooi was constateerde ik feitelijk, door mijn oor tegen de muur te drukken, te denken: ja, dat is wat ze mooi noemen. Het hulpeloze gepingel dat door mijn container zweeft is net zoiets als het ruizen van de bomen en de pisstraal uit m’n douche – het is er gewoon, het zal allemaal wel.

Toch.

Op een middag kijk ik op van mijn werk bij het horen van een loopje dat alle eerdere loopjes in onwelluidendheid overtreft, en ik onderzoek met de vertraging die me de laatste tijd eigen is wat ervoor zorgt dat ik niet gelijk weer aan het lezen sla. Het antwoord komt als een schemervis naar boven drijven. Vertedering.