wedergekeerde hitte

Heet, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ik roep altijd dat het me niet heet genoeg kan zijn, en dat is ook zo, maar nu ineens kan ik het niet hebben. Slapen lukt niet, eten is vies, werken verschrikkelijk en de zon heeft een vitaal deel van mijn hersenen verweekt waardoor ik de hele tijd dingen vergeet; afspraken, wc-papier, voornemens. Onder al dat gezweet ben ik gelukkig, overigens, ik heb heel veel zin in allerlei dingen als het niet 32 graden is.

Hundstage, denk ik steeds en dan aan dat ik die film nog steeds eens moet kijken. Ik probeer ook aan boeken te denken waarin het vreselijk heet is, maar verbanden leggen tussen roman & de dagelijkse werkelijkheid zit niet zo in mijn systeem, geloof ik. Ik denk wel aan films (dus), of aan songteksten, maar de literatuur blijft in de literatuur. Misschien is dat wel waarom ik er zo van houd. Als ik een boek lees ben ik dáár, en niet hier. Ergens schaam ik me er toch voor omdat ik het gevoel heb dat het wel zou moeten – die verbanden leggen dus.

De schimmen, van César Aíra, maar nu speel ik vals, vorige zomer dacht ik ook al aan dat boek. Is het in Post Office van Charles Bukowski heet, of denk ik dat alleen maar omdat ik het boek las in mijn eerste zomer als postbode (heerlijk; de winter, dat was pas erg)? The Sisters Brothers van Patrick DeWitt misschien, hoewel ik dat ook kan denken omdat het een soort western is, en in westerns brandt de zon en brandt het zand. Is het zomer in Nina Polaks We zullen niet te pletter slaan? Geen idee, maar ik weet wel dat het dat was toen ik het boek las.

Ja als iedereen het erover heeft, dan ga ik vanzelf romans in de werkelijkheid zien; de muggen uit Nooit meer slapen, de trein uit Anna Karenina.

Ik doe het andersom, geloof ik, ik verbind mijn omstandigheden aan boeken, in plaats van de boeken aan omstandigheden.

Zegt dat iets over mij? Ik lees niet om te herkennen, denk ik, maar wil ik dan zelf herkend worden door een boek? Nee – zelfs non-fictie valt ten prooi aan mijn weerprojecties. Cities are good for you van Leo Hollis bijvoorbeeld, gaat (surprise!) over steden, en ik zie al die steden (zoals Almere!) voor me in de stromende regen.

Vlak voor ik dit stukje typte keek ik op Instagram, waar een foto te zien was van iemands voeten in een voetbadje. Ik wilde schrijven dat ik dat nooit doe, een voetbad, omdat je dan wel even verkoeling hebt maar daarna is het nog veel erger om het weer warm te hebben, dan kan je beter maar gewoon de hele tijd warm blijven en niet steeds weer die teleurstelling over je afroepen. Bovendien zit je daar maar, met je lelijke poten in een teil en zeker weten moet je naar de wc en ben je vergeten een handdoek naast dat ding te leggen waardoor je over je laminaat moet glibberen et cetera – ik wilde dus schrijven dat ik tégen voetbadjes ben, ook op Instagram, omdat ik zelfs bij het zien van een fotovoetbad de sensatie van wedergekeerde hitte ervaar, en toen kwam het ineens naar boven.

Marga Minco. Volgens mij is het ’t eerste verhaal uit de verzamelbundel Achter de muur (Bert Bakker, 2010). Een man, een soort deur-aan-deur verkoper (‘Hij had een slappe deukhoed op en droeg een koffer, die hij nu op de stoep zette. Tussen zijn gestrekte wijs- en middelvinger hield hij een visitekaartje omhoog.’) klopt aan bij een vermoeide vrouw. Wat ze nodig heeft, zegt hij, is een voetbad. Morrend (“ik voel er zo weinig voor”) geeft ze toe, ze steekt haar voeten in een teil. Nadat de man flink wat helende substantie in het onnodige voetbad heeft gestrooid gaat hij even een doosje sigaren halen. Terwijl de vrouw merkt dat ze haar voeten niet meer uit de teil krijgt – gips! – klopt hij alweer bij de volgende buurvrouw aan.

Zit ze dan. Miserabel was ze al, in haar groene kamerjas, en nu zit ze ook nog vast.

Precies wat deze dagen met me doen, met de kamerjassenzon die ervoor zorgt dat elke beweging er als één te veel voelt. Het omslaan van een bladzijde, dat lukt nog net.

*