Wat je verkeerd kunt doen

Het is donker. Met Zorro de hond loop ik z’n laatste rondje, we staan voor de deur als hij nog dringend aan een lantaarnpaal wil ruiken. Ik heb mijn sleutels al uit mijn zak gehaald als drie jongens onze kant uit de weg oversteken, aan hun stemmen is te horen dat ze iets moeten en ik denk nee nee nee even niet, even verdomme niet maar daar gaan we al: Ey, zo lelijk ben je, kijk die lelijke chick met d’r lelijke hond, ik heb nog nooit zo’n lelijke kankerhoer gezien hee lelijkerd ik word blind van je lelijkheid (enz., enz.).

Ik weet wat het wijze is om te doen. Hetzelfde als wat je moet doen als je overvallen wordt: je doet wat de overvaller wil (je geeft je geld, je houdt je mond, je maakt je klein en hoopt dat het gauw over is) en glibbert zo snel mogelijk weg naar een veiliger oord. Je moet denken: ik sta hierboven, dit is willekeur, ze zoeken problemen, het is niet persoonlijk, het hoort erbij. Ik weet dat allemaal en maak een overweging, alweer. Door mijn hoofd gaan vorige keren, op andere plekken, soms vlakbij in dezelfde buurt, soms aan de andere kant van de stad, vijftien jaar geleden. Een straatlang verbaal vernederd worden en niets zeggen. Een hand op het kruis van mijn spijkerbroek om te checken wat er zit, stil blijven omdat het dan gauw over is. Een klap voor m’n harses in de metro omdat ik de verkeerde aankeek, ik ga neer en om me heen deinst een groep reizigers terug, ik kruip het perron op waar iemand om me lacht. Horen: hee, lekker wijf, kom eens hier en niets zeggen, ook maar niets zeggen, horen: hee trut ik heb het tegen jou, niet zo arrogant, hoer.

Ik weet dat het gevaarlijk is om tegen die jongens te praten maar ik weet ook dat de keren dat ik dat wel deed, ook al resulteerde het hier vlakbij ooit in een achtervolging waarbij ik me uiteindelijk verstopt heb in een portiek om fluisterend mijn vriend te bellen, de keren zijn waar ik mee kan leven. Natuurlijk word ik kwáád als ik eraan denk, maar niet op mezelf. Ik weet dat het gevaarlijk is om gas terug te geven, en niet zoals vaak met een flauwe grap of door aan ze te vragen of ze m’n lelijke hond misschien willen aaien maar door terug te schreeuwen zoals zij naar mij schreeuwen. Ik sta hier niet boven, ik sta hier niet buiten, ik zit er middenin, ik sta net zo hard op deze straat als de blèrende jongens, ik ben klaar met ‘gevaarlijk’ en ‘onverstandig’ en ‘het hoort erbij’, de hond kijkt me aan, wat staan we nou te dralen, ik haal adem, ik schreeuw: kom hier. Kom het in mijn gezicht zeggen. Kom in mijn gezicht zeggen hoe lelijk ik ben.

De jongens stoppen. Ze komen niet. Ze roepen dat ze me gaan beuken, dat ze de hond vermoorden, maar ze komen niet. Ik zeg: kom hier. Kom hier, als je zo stoer bent. Dan komen ze. Een van de jongens heeft een tafeltje van de straatkant gepakt en houdt het boven zijn hoofd om, zoals hij zegt, mij en de hond helemaal kapot te maken. Ik doe een stap naar voren. Doe het. De hond drukt zich tegen mijn been. Als ik nu naar binnen ga, weet ik, zullen die jongens volgen. Ik schreeuw nog harder: doe het. Zet nog een stap naar voren. De jongens deinzen terug – ik moet overkomen als een maniak en ik vind het lekker. Ben je bang brul ik, ben je bang voor een lelijke chick? De hond gromt. Eén van de jongens is weggelopen, hij houdt een bus aan, roept zijn vrienden die naar hem toe rennen, het tafeltje zetten ze keurig terug aan de straatkant.

In de lift omhoog zit ik op het invalidenbankje, mijn handen trillen zo dat ik Zorro’s lijn los moet laten. Hij likt ze, wat vies is maar toch ook wel lief. Ik voel me schuldig: straks was hij het slachtoffer geworden van mijn opstandigheid. Thuis vraag ik me af: moet ik aangifte doen? Mag ik hier kwaad over zijn zonder naar de politie te stappen of doe ik het dan alsnog verkeerd? En dan denk ik aan keren dat ik heb geprobeerd docenten of agenten te overtuigen van hoe bang, hoe naar, hoe bedreigend. Hoe jongens zeiden ‘maar ze schold ons uit’ of ‘het was maar een grapje’ en dat het dan dus maar een grapje was. Hoe een agent op straat, ik was vijftien, had in een lift tegenover een rukkende kerel gestaan en het duurde ongeveer vijf minuten voor ik geluid uit mijn keel kreeg, zei: ‘ja, kom je nu mee, nu kunnen we hem toch niet meer vinden, die dingen gebeuren nou eenmaal’. En ik weet: niet alle agenten, niet alle mensen, maar ik denk ook aan dat die jongens mij mijn eigen huis in hebben zien gaan. Aan het gedoe. Aan hoe ik, dat kutwijf met die klotehond, met mijn dictie die als ik niet woedend ben weer van Amsterdams naar keurig verschuift, aan hoe verbolgen ik zal klinken, of ik soms niet tegen een grapje kan of ik soms wou beweren dat ik niet lelijk ben of ik soms uit een dorp kom of ik soms ijdel ben of ik soms niet begon of ik niet weet dat het hartstikke gevaarlijk was wat ik deed.

Dus als ik ga slapen tel ik mijn fouten. Alsnog. Ik denk dat ook het feit dat ik hierover iets schrijf er volgens velen eentje is (want is ze nu aan het huiliehuilieslachtofferen?). Dat ik geen aangifte doe is volgens anderen verkeerd: ik red m’n eigen hachje in plaats van een poging te doen om te voorkomen dat dit anderen ook gebeurt.

Er blijven altijd zo veel fouten over. Alsof ik er, waar die jongens er één maakten, wel tien maak. Maar die van schaamte, nederigheid, die van het met gebogen hoofd gelijk geven, ja meneer ik ben wat je zegt, wil ik niet meer, even niet meer, maken.

*