vocabulaire

De westerwind waait over de stad. Metrolijnen ingekort, tunnels afgesloten, daar merken we niks van in ons geïsoleerde stukje Amsterdam. Zorro de Spaanse windhond en ik gaan naar het vaste uitlaatveld; onderweg zien we een grote rat onder een auto schieten. Zorro mag er even naar kijken. Ik praat vaak tegen hem als we samen lopen. ‘Wat een mooie rat,’ zeg ik. Of ‘wat een geweldige bus!’ want hij wil altijd even stilzitten en naar bus 33 kijken als die passeert. Sommige chauffeurs zwaaien naar hem, ook de ouwe knorrepotten die mij bij het instappen afkeurend aankijken omdat ik een kop heb die bepaalde kerels niet aanstaat. Volgens mij kent Zorro het woord bus. Auto kent hij ook, want hij vindt het leuk om vanaf de achterbank van de Twingo naar buiten te kijken. Brokjes, slokje water, Zorro nee, sok.

Nu lopen we niet langs de busroute maar langs een basisschool die volgende week weer open gaat. In de warmverlichte lokalen zijn vrouwen bezig met het ophangen van versieringen en Zorro mag van mij niet tegen een speeltoestel aan plassen. ‘Nee hè,’ zeg ik en ik weet heus wel dat ik niet de hele tijd tegen die hond moet ouwehoeren, dus daarna houd ik mijn mond. Ik herinner me het weer naar school gaan na de kerstvakantie: de geur van natte jassen, bruine boterhammen en glitterlijm en in de schoolhal de koffie-en-sigarettengeur die uit de lerarenkamer kwam. Regenlaarzen waarin je sokken afzakken. Nostalgisch word ik er niet van, trouwens, ik vond het helemaal niet leuk om naar school te gaan en in regenlaarzen krijg je koude voeten.

Na het uitlaten – het beest gaat los, rent hysterisch rondjes, bijt andere honden stiekem in hun konten, heeft een vast maatje waarmee hij altijd over politiek blaft, een blije labrador die zijn gebit schoonlikt en een vriendin waar hij mee gaat knokken – lopen we de busroute naar huis.  Het regent en we hebben de wind tegen en er is geen bus en Zorro kijkt pissig naar me om terwijl hij aan de lijn trekt. Je moet dieren geen menselijke gedachten en gezichtsuitdrukkingen toekennen natuurlijk maar ik doe dat lekker wel want heb daar plezier in, volgens mij denkt mijn hond dat ik die regen heb aangezet, die wind heb aangezwengeld, en dat ik daarna expres heel langzaam op die stomme mensenbenen naar huis stiefel, maar niet nadat ik alle bussen heb gebeld dat ze even niet door Amsterdam-Noord mogen rijden en hij mag ook al niet de mayo uit een patatbakje likken. Hoe durf ik.

‘We zijn er bijna, kerel, dan kan je je warme mandje in,’ zeg ik. Maar dat begrijpt hij dan weer helemaal niet. Of (brokjes!) ik (brokjes!) effe (BROKJES!!1!!) op kan (brokjes?) schieten.

[foto van het beest: Irwan Droog]