straatgenegenheidsspectrum

‘Ik zie u roken,’
De man, een jaar of tachtig, minstens, hield me staande. Hij liet zijn rollator los.
‘Krijg ik nu een preek?’ vroeg ik licht geïrriteerd en schuldbewust.
‘Zou ik er eentje mogen?’
Dat mocht. God, sorry, natuurlijk mocht dat. Hij grinnikte, leende ook mijn aansteker even. Zei dat hij alles thuis had laten liggen, hij moest nog een paar kilometer wandelen, met die kar voor zich.
‘Wandel-ze,’ zei ik.
Toen stak de man zijn hand op, alsof hij me een high-five wilde geven, dus ik stak die van mij ook op, maar het was een knuffel, ‘o,’ zei ik en toen werd het ineens een natte kus in mijn hals, ‘ho,’ piepte ik en voor ik het wist vervolgden we allebei onze wegen, de ruggen steeds verder van elkaar af.

Ik veegde lopende mijn hals droog. ‘Huh,’ zei ik, hardop.
Het is natuurlijk ook gewoon leuk om mensen in hun hals te zoenen.

Toch: na die ‘huh’ werd ik pissig, want als die man niet tachtig was geweest en geen rollator voor zich uit had geduwd had -ie een hengst gekregen wegens deze verrassingsaanval.

Er is een straatgenegenheidsspectrum dat per mens (v/x/m) verschilt. Voor mij (en dus niet: voor alle vrouwen, ik heb het tegen jullie, mensen die vrouwen alleen in vrouwenpanels zetten om erachter te komen wass das Weib will) ziet dat spectrum er ongeveer zo uit:

(bedankt voor het compliment, ja, zelf gemaakt)

Natuurlijk is dit allemaal contextafhankelijk. Bijvoorbeeld: is de straataanbidder dronken? Zo ja, dan schuift ’t hele spectrum op naar rechts. Heeft de straataanbidder zelfspot? Ietsje naar links. Klinkt het ‘kopje koffie’ als ‘lekker effe anaal verkrachten in een vochtige kelder’: naar rechts. Ik ben weleens zo goedmoedig op mijn kont geslagen dat het spectrum in een knoopje lag, maar dat is er eentje voor de vakmannen.

En dat mannetje dan? Hij was onschadelijk. En daarmee viel hij spontaan van die mooie tekening hierboven. Wat de boel voor een vrouw bedreigend maakt, zo wordt vaak terecht benadrukt, is het feit dat een man vaak fysiek sterker is (en maatschappelijk machtiger) dan zij. En deze man, ja deze had geen manieren, maar als ik niet zo verbaasd was geweest had ik ‘m om het af te leren even op z’n achterhoofd kunnen tikken zodat –ie z’n kunstgebit verloor. Ik had z’n rollator kunnen wegduwen en ik had ‘m pootje kunnen haken, enzovoorts.

Dat praat het niet goed, want waarschijnlijk wist hij best dat hij ermee weg zou komen. Zelfs als ik tegen hem was gaan schreeuwen was ik, en publique, de bruut geweest. Het is heel lief, dat we aan ouderen denken in termen als ‘mannetje’, ‘besje’ (wat is het mannelijk equivalent hiervan? Stronkje? Zwammetje?) en ‘ouwe viespeuk’. Vervelend, dat ook, belachelijk om na je zeventigste ineens overal als ‘omaatje’ en niet als je capabele zelf gezien te worden. Maar het zorgt er ook voor dat asociale ouwe zwammen overal mee wegkomen. Het moet ze gegund worden, zo in de winter van hun leven: voordringen bij de bakker. Vrouwen op straat in hun hals zoenen. Hihi, snoeperd!

Al hoefde ik die mafkees niks te gunnen: schreeuwen deed ik dus niet. Hij was al te ver weg. Bovendien was ik niet kwaad maar teleurgesteld. In mezelf. Omdat ik een vrouw ben en geleerd heb dat het altijd aan mij ligt, geloof ik, maar dat klinkt ook weer zo zielig.

Ik dacht: laten we deze maar verdringen, en vanavond in bed het patriarchaat een beetje extra vervloeken.

*