Omgang

De Sint Servaasprocessie duurde erg lang en was voor een Hollander die niks gewend is en nergens in gelooft spectaculair en vreemd tegelijk. Op een hoek van de Grote Staat stond ik, mooi vooraan, te kijken naar hoe notabelen en verenigingen, allemaal keurig uitgedost en op makkelijke schoenen, langsschreden. Wanneer zie je dat, schrijden? En gewaden? Vooruit: hier ziet iedereen, maar vooral bepaalde vrouwen, er net iets versgeknipter en deftiger uit, met die bolle blonde kapsels en getailleerde jassen met patroontjes erin. Soms wappert er ineens een oude non voorbij. Maar deze praal, mannen met draagbaren op hun schouders, levensgrote Maria’s, vrome kindertjes met lenteboeketten in hun knuistjes, alles glimmend en in gewijde stilte – zelfs de fanfare die ’s ochtends onder mijn raam jolig opstartte was ingetogen – daar kun je met open mond naar kijken.

Of je ergert je rot, dat is ook begrijpelijk; de winkels zijn dicht, de halve stad staat op zijn kop door een beschermheilige waarvan niet eens zeker is of –ie wel bestaan heeft, je gelooft niet in God, de wierrook slaat op je longen, je wilt er godverdomme langs maar er staan veertig getailleerde jassen en een paar bisschoppen in de weg. Het zou lekker zijn om even heel hard te roepen dat het allemaal idioten zijn in hun apenpakkies, en dat alles schijnheilig is, maar de meeste voorbijgangers kozen voor een passief-agressieve aanpak; gewoon oversteken. Hup, langs een non, of recht door een vroom zangkoor, kinderwagen vooruit en peuk omhoog. Omlopen voor God, dat is voor laffe schapen.

Ik vond het allemaal mooi. De praal, de chagrijnen, de stad. Heel vaak moet ik hier aan een van mijn wijlen oma’s denken, de moeder van mijn moeder. Die hield van mooie dingen en chique zaken, maar werd tegelijkertijd nogal rebels van de kouwe kak eromheen. Misschien omdat ze uit de Jordaan kwam toen het nog een volksbuurt was, of misschien is het iets in de genen, want al haar nazaten worden in dit soort situaties geloof ik verscheurd tussen bewondering en spot; ook ik bemerkte halverwege de processie dat er iets knapte in mijn kop. Het was net of oma vanuit een hemel waarin ze niet geloofde op mijn schouder landde en spottend zei: wat een poppenkast. Ineens ergerde ik me ook. Niet aan de processie (ze doen maar, als het loutert) en niet aan de overstekende mensen (idem) maar wel kreeg ik haast een fysiek allergische reactie op de vrouw die naast me stond.

‘Dat gekanker de hele tijd,’ fluisterde mijn oma me in met de stem die ik bijna vergeten was, zwaar van de sherry en sigaretten.

Gelijk had ze. De vrouw, in een veel te keurig pakje gestoken en met haar dat zo hard glansde dat ik er bijna sneeuwblind van werd, stond aan een stuk door heel devoot te zaniken over de overstekers.

‘Respectloos!’ zei ze net iets te hard, of ‘tuttuttut!’ of ‘Nou JA!’ of ‘Óngelóóflijk’.

Ik keek op mijn horloge: de processie duurde al een half uur en die vrouw was al een half uur aan het mopperen. Steeds luider, soms stootte ze me aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik net zo devoot was als zij. Ze schudde de hele tijd afkeurend met haar hoofd. Ik vroeg me af wat haar God vond van haar gedrag, probeerde me dat niet af te vragen, wat weet ik tenslotte van goden en heiligen?

Ik dacht aan de keer dat mijn geweldige oma iemand van z’n fiets trok toen hij ons bijna aanreed, aan de keer dat ze driftig een metrodeur openwrikte terwijl het rijtuig zich al in beweging had gezet, aan de klap die ze keihard op een motorkap gaf omdat –ie te hard glansde of zoiets en aan alle keren dat ze – net door rood gelopen, met in haar tas boodschappen die ze lekker niet gescand had bij de supermarkt, luidkeels discussies aanging met mensen die haar niet aanstonden. Je zag het aankomen, opborrelen, en je hoorde haar dictie van keurig ABN naar Amsterdams verschuiven.

Daar ging ik. Het was het parfum van die vrouw, de lippenstift die in haar mondhoeken korrelde, de welvaart die van haar afdroop, dat glanzende haar, het was het tasje aan haar onderarm en die vrome kaklakschoenen, het was haar schouder tegen de mijne, alsof ik iets met haar te maken had, en vooral was het dat gezever door een haast fluisterzachte stoet.
Nee, dacht ik, ik doe het niet. Anderewang, andere wang, anderewa-
Oma gaf me een zetje.

‘Mefrouw,’ zei ik ondanks al mijn voornemens in haar oor.
Ze staakte haar gejammer.
‘U seurt er dorheen.’

Daar ging oma weer, vast heel tevreden met haar onstoffelijk nalatenschap in de vorm van de genetische afwijking van Het Je Muil Niet Kunnen Houden. Ik was weer alleen. Schaamde me dood.
De vrouw was stil en kwaad.
‘Het gaat om respect,’ zei ze toen.

Ik zei niet: respect me reet. In plaats daarvan wachtte ik in besmuikt zwijgen een pauze in de processie af. Heel langzaam, in de hoop dat de vrouw het niet zou merken, gleed ik zijwaarts met de bocht mee een stuk verder de straat in. Daar ademde ik zo hard wierrookdampen in dat ik me haast in de Heilige Geest verslikte. Naast me barstte een winkelmedewerker die goddomme gewoon z’n winkel open wilde doen in lachen uit.

‘Gezondheid,’ zei hij.
‘In godsnaam,’ zei ik met een stem zo zwaar dat ik er iemand anders in herkende.
Hij bood me een sigaret aan. Samen zaten we de omgang uit.