Muze

Ik kocht een museumjaarkaart en liep FOAM in. Er hing moois en minder moois en dingen die vast heel interessant waren maar nog steeds niet mooi, moet kunst mooi zijn, nou nee (al is het wel een pré naar mijn bescheiden neanderthalermening). Ik houd gewoon van mooie fotografie en was daar niet om verlicht te worden maar om even een esthetisch bevredigende ervaring op te doen. Dat lukte heel goed bij het werk van André Kértész (Hongarije, 1894 – VS 1985) die in onder meer Hongarije, Parijs en New York fotografeerde. Veel zwart-wit, ook toen het al in kleur kon, veel lijnen, veel straat.

Wie ook een esthetische ervaring leek te beleven was de verfrommelde man met het kunstzinnige brilletje dat heel toevallig steeds bij mij in de ruimte stond, en dan heel graag naar de foto’s wilde kijken waar ik ook naar keek. Hij liep rond met een houding die iets uitstraalde, op recepties zou vast iedereen denken dat hij iets heel belangrijks was in de Amsterdamse art-scene in de jaren zeventig, of zoiets, maar nu kwam -ie op me over als een kerel die ieder moment iets over muzes in mijn oor kon gaan fluisteren. Het slag dat me in een café onaangekondigd om de middel grijpt en zegt: ‘je bent zo lekker petite!’

Hij kwam net niet dichtbij genoeg om er te iets van te zeggen, en staarde net niet lang genoeg om te vragen of -ie het wel goed kon zien. Ik was net te moe om me hevig te ergeren.

Buiten liep ik rond met die misplaatst (ja, toch) verlichte blik die mooie foto’s je kunnen geven. Dáár zou ik een goed beeld van kunnen maken, die tram en dat waarschuwingsbord en die toeristen op de brug en die vrouw in het knalroze, met lippenstift tot onder haar oren. Maar dan denk ik al snel: dat kunnen anderen veel beter dan ik. Met schrijven heb ik precies hetzelfde, maar dat ga ik dan toch doen. Ik weet niet waar hem het verschil in zit.