Mag het licht uit

Terwijl de vrouw knipte probeerde ik: misschien iets korter bij mijn oor. Misschien is die lok wat zwaar. Anders haal je nog iets van de achterkant af, nu heb ik een matje.

Het werd steeds korter, mijn haar, en het zag er steeds erger uit. Normaal ga ik naar een fantastische kapster, maar die is geblesseerd en mijn haar werd te lang en ik ben ongeduldig dus daar zat ik, met zo’n lullig capeje om naar mijn eigen hoofd in de spiegel te staren. Wat een rare kaak, eigenlijk, dacht ik. En wat een wallen. Beetje doorleefd, beetje ongezond, beetje flets, mijn hemel, kan iemand het licht uitdoen.

‘En als je het iets meer… in laagjes knipt?’ piepte ik, ‘Je moet het verder zelf weten, jij bent de expert, maar eh…’

Ik wil helemaal niet iemand zijn die zich druk maakt over haar kapsel, of haar huid, of de wallen onder haar ogen. Ja, als je niet lekker geslapen hebt zie je dat, en als je ouder wordt verjaart je verpakking mee, doe niet zo moeilijk.

‘Prachtig hoor,’ zei ik automatisch toen het klaar was.

Ik wil ook niet iemand zijn die automatisch ‘prachtig’ zegt als iemand ervoor heeft gezorgd dat ik eruit zie als een kruising tussen Carry Slee, Harmen Siezen en zo’n kaal hondje met een kapseltje. Maar dat ben ik dus wel.

‘Heel erg bedankt hoor,’ ging ik desondanks verder – of nou ja, ‘ik’. Mijn bewustzijn zweefde ergens anders rond, in een veilige ruimte die ruikt naar lente, geolied hout en gebakken maïs, en waar verder helemaal niemand is, in het niets, feitelijk. Soms vraag ik me af waar ik blijf.

Ik rekende af en deed uit het zicht van de kapperszaak met de aardige kapster mijn capuchon op. Thuis knipte ik bij zacht licht mijn haren erg kort. Leek iets meer op mezelf, wie dat ook mag wezen.