Eerste klas

Terwijl het land van Amsterdam tot Venray langsschoot – plat, weilanden, steden, dorpen, niks, volkstuinen, heuvels, andere steden, boerderijdieren, naaldbomen – verloor ik al mijn plannen. In m’n tas zat een boek dat ik nog moest lezen, het bleef erin zitten, dat gebeurt altijd in de trein; laat me vanuit iets bewegends naar buiten kijken en ik ben uren zoet. Het was koud in de coupé maar met een jas aan ging het wel. Af en toe materialiseerde in de stoel tegenover me bijna een dode waarvan ik weet dat ze net als ik erg van treinreizen hield, haar stem kwam omhoog van de bielzen en omlaag uit de wolkenlucht, het was goed, ik werd er rustig van. Het kan louterend zijn de doden bij je te dragen – niet letterijk uiteraard – met nadruk op kan, als ze allemaal tegelijk komen spoken ga ik liever even iets anders doen, dat boek lezen, een vriend bellen. Ik reisde eerste klas, omdat je soms in weekenden voor vijf euro een upgrade kan krijgen.

In Venray gaf ik een lezing voor een publiek dat zo stil was dat ik halverwege vroeg of ze niet sliepen, toen moesten ze hard lachen, het was aandacht.

Terug was de reis net zo kalm en net zo eerste klas. Ik voel me overal thuis, dacht ik, bij het hele landschap. Betekent dit dat ik me een Nederlander voel? Dat de vlakke natte weilanden net zo vertrouwd zijn als het glooiende zanderige zuiden, dus – ja, ik denk het, ik ben heel Nederlands, in allerlei opzichten. Maar zoiets opschrijven impliceert weer van alles. Ik vierde nooit een kringverjaardag, iedereen kan mee-eten, en die hele hoeksteennormenwaardenzooi ach nee, terwijl ik wel veel te direct ben en oernederlands luid. Het is een kwestie van aanleg denk ik, je thuisvoelen op de grond waar je toevallig geboren bent, het heeft meer met die grond te maken dan met de mensen. Er zijn er zat die dat helemaal niet hebben, die willen de hele tijd weg omdat ze klaar zijn met pvv’ers, de werkmentaliteit, met witte driekwartleggings en De Wereld Draait Door. Ja, denk ik dan, mensen kan ik overal zat worden. Maar dat platte groen en dat heuvelige löss!

Maar goed, dat heeft misschien weinig met een volksidentiteit te maken, dat heeft gewoon te maken met aan vasthouden aan je bekende uitzicht. Lekker, vind ik dat, maar soms wilde ik iets meer verlangen naar verre bergen en onbekende kliffen.

Ik zat me erg thuis te voelen, kortom, in die trein die ook nog eens naar het thuist aller thuizen denderde, Amsterdam. Als ik daar te lang niet geweest ben moet ik altijd even een blijbibberige ademteug nemen als ik binnenrijd. Wel had ik inmiddels dat boek uit mijn tas gepakt. Bij pagina vier kwam kwam er een ouder stel de coupé in, waarvan de man me lang monsterde. Toen draaide hij zich om naar zijn vrouw en zei: weet je zeker dat dit de eerste klas is?

‘Nee,’ wilde ik zeggen, ‘u zit inderdaad verkeerd, ik zou maar snel omkeren,’ en dan een galmende boer laten.
Dat deed ik helaas niet. Ik kuchte passief-agressief en sloeg een bladzijde om, hoopte dat er iemand bij ze zou gaan spoken.