Wallenpoëzie, slaapgebrek, Wolkerstuin, tientje

Update (dat deze website die ook kan gebruiken moge duidelijk zijn, binnenkort, binnenkort)

  • Van 9 t/m 12 juli geen slaapgebrek door een olifant maar door VPRO Nooit Meer Slapen; ik lees er columns voor (rond 1 uur ’s nachts)
  • voor Public Art schreef ik een gedicht over de Wallen, het is een monument voor de dagjesmens, gebaseerd op 360-graden foto’s die toeristen aldaar maken. Het is een audiofile. Als u hier klikt kunt u luisteren (en wat van de foto’s zien). Het duurt ongeveer 7 minuten. Als u zich afvraagt welke Amsterdammer daar keurig probeert te praten: dat ben ik. Als u de tekst terug wilt lezen, stuur vooral een e-mail, dan stuur ik ‘m op.
  • De laatste twee weken van juli verblijf ik in het oude tuinhuisje van Jan Wolkers. Als een soort (zeer vereerd) proefkonijn, want het huisje, gelegen in het superdeluxefancy volkstuinenpark Amstelglorie, wordt over niet al te lange tijd in gebruik genomen als schrijversresidentie. Rob van Essen is ook proefkonijn en schreef er mooie stukken over.
  • Er is een midprice-editie verschenen van Onheilig. Hij kost maar een tientje, is heerlijk pocketflapperig en leent zich uitstekend voor een melancholisch strandbezoek, al zeg ik het zelf.
  • Verder in NRC een fijne recensie van De olifant van de bovenbuurman en in de Metro een lekkere aanprijzing.
  • Ik ben voor het eerst in jaren naar de tandarts geweest en heb maar een klein beetje gehuild.
  • Zorro de hond heeft voor het eerst geprobeerd te zwemmen maar vond dat zo leuk dat hij zichzelf al kwispelend bijna verzoop.

 

*

 

Twee korte verhalen, een recensie en een olifant

Twee korte verhalen

Voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam schreef ik de afgelopen tijd twee korte verhalen die nu op de verse website, een ware literatuurgoudmijn, terug te lezen zijn.

Je moet je fiets binnenzetten‘ schreef ik voor het programma Short&Kort, waarbij schrijvers de tagline (samenvattende zin) van een hen onbekende korte film krijgen. Die van mij was “Bevreemdende situaties ontstaan wanneer een jong vluchtelingengezin na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in een klein dorp in Nederland belandt.”

Sluit je ogen‘ is het resultaat van een science fiction-workshop van Monnik. Voor de verandering verplaatste ik mezelf niet in een geest, maar in een buitenaards wezen. Of eigenlijk: andersom.

Een recensie

Voor NRC besprak ik de verhalenbundel De hondenschool van de Hongaarse Edina Szvoren en concludeerde dat ik duidelijk geen Hongaar ben.

Een olifant

Vorige maand verscheen De olifant van de bovenbuurman. Arjan Peters besprak ‘m in De Volkskrant, op Hebban verscheen een mooie recensie van de hand van Anne Oerlemans en in HP De Tijd wordt geschreven: “Van Rijswijk (…) presenteert op droge toon telkens weer een volgende bron van geluidsoverlast. Dat werkt bijzonder komisch.” (hier een Blendle-linkje, De olifant volgt op Saskia Noort). In Het Parool en in De Morgen (tekst op aanvraag, staat niet online) verschenen interviews.

In Opium op Radio 4 sprak ik met Annemieke Bosman over (onder meer) de uitgave, en tot mijn grote vreugde draaiden ze zelfs Di Gojim.

8 maart: boekpresentatie ‘Wat ben ik meer dan stilte’

[English below]
Op 8 maart, om 15:00 uur, wordt in de schrijversstudio aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht een boekje van mijn hand gepresenteerd: Wat ben ik meer dan stilte – verhalen van geesten. 

De verhalen en gedichten in de kleine bundel zijn het resultaat van een vraag die ik een tijdlang aan de mensen om me heen stelde: ‘Heb je weleens een geest gezien?’

Of ik, of degene die ik sprak, daadwerkelijk geloofde in die geesten deed er niet toe – de verhalen, daar was ik benieuwd naar. En ik kreeg ze: een geest in een Koreaans ziekenhuis, een verschijning in een Nederlandse slaapkamer, een demon in een Argentijnse klerenkast…

De mensen die me hun spookverhaal toevertrouwden waren verbaasd, geschrokken of geamuseerd. Ik vroeg me af: hoe zouden de spoken in kwestie het beleven? Nog steeds doet de vraag ‘is het echt’, of ‘geloof je erin’ er hier weinig toe, trouwens. Het verhaal als gegeven, maar ook als literaire constructie – waarin je je als het nodig is nog in een stoelpoot in moet kunnen leven – dat doet ertoe.

Ik herschreef de anekdotes (een fijne verhaalvorm) die ik hoorde tot verhalen en gedichten vanuit het standpunt van de geest in kwestie.

Om met veel plezier het verhaal te vieren. Dat er verteld wordt, geluisterd, gegriezeld, verwonderd, en dat dit echt nog altijd en voor altijd, terloops of nadrukkelijk, overal gebeurt.

[Met dank aan: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustraties: Sophie Schmidt – Grafisch ontwerp: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Redactie: Erik Lindner – Vertaling: David McKay]

On March 8th, at 3:00 p.m., a short anthology of mine will be presented in the writers studio located at the Jan van Eyck Academy in Maastricht: What am I now but silence – Ghosts’ stories. 

The stories and poems in this anthology stem from a question I posed to the people around me: ‘Have you ever seen a ghost?’

Whether I, or the person whom I was talking to, believed in those ghosts didn’t matter – I was curious about the stories. I got what I asked for: a ghost in a Korean hospital, an apparition in a Dutch bedroom, a demon in an Argentinean closet…

The people who entrusted me with their ghost stories were surprised, startled or amused. It made me wonder: how would ghosts experience these encounters? Nevertheless, the question ‘is it real’ or ‘do you believe in this’ doesn’t really matter. The story as a given, but also as a literary construction – where you can even empathize with a chair leg, if needed – is what truly matters.

I rewrote those anecdotes (excellent story form) into stories and poems from the perspective of the ghosts.

To gleefully celebrate the story itself. To have it be told once more, listened to, with shivers down your spine, amazed, and that this really still keeps happening and will continue to do so, casually or purposefully, everywhere around the world.

[Thanks to: Van Eyck, Nederlands Letterenfonds, Ben Remkes Cultuurfonds – Illustrations: Sophie Schmidt – Graphic design: Christophe Clarijs & Celine Mathieu – Editor: Erik Lindner – Translation: David McKay]

I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.

De Anoniemen

Kun je verdwijnen? Blijven ademen en bewegen en eten, janken en liefhebben – maar verdwenen zijn?

Wil je dat?

Niet alleen voor mij verdwijnen, maar voor iedereen die je zelf niet uitkoos. De leerkrachten die jou niet begrepen, de klasgenoten die je bespotten, je ouders die het niet op de goede manier probeerden.

Ja, dat wil je.

Je wilt zo klein worden dat niemand je meer ziet, en je wilt het langzaam doen zodat geen mens het doorheeft dat je er ineens niet meer bent. Jij en al je misstappen en herinneringen krullen zich op en je vouwt je uit aan de andere kant van de koude zee. Daar maak je nietszeggende vrienden. Je verandert je naam, je verhaal. Je doet werk bij een archiefkast, denkt vaak: ik ben meer dan dit. ‘Meer!’ wil je net als vroeger roepen, ‘ik ben meer dan jullie!’

Maar je bent een radertje. Je doet geen goede of mooie dingen, omdat je iemand bent die niet goed en ongenoemd tegelijk kan zijn.

Als het stil is in je leven stuur je me brieven die ik ongeopend wegtief. Dat weet je, want zelfs op de enveloppen schrijf je sorry.

LEES VERDER OP DE GIDS – die hebben namelijk een mooi themanummer, online, waarin heel veel schrijvers het groepsgevoel onderzoeken. We kregen allemaal een letter van het alfabet (ja, waar anders uit eigenlijk) toegewezen. Hier staan ze (o.a. Emy Koopman, Niña Weijers, Wout Waanders en Rob van Essen) allemaal. 

*

Afleidende bijzaken

schermafbeelding-2016-10-30-om-22-24-37Schrijvers die het hebben over hun schrijfproces: ik vind het moeilijk. Achteraf kan ik het hebben, dat ze vertellen hoe ze op personage A kwamen en op motief B, al lees ik liever gewoon het boek. Schrijvers die het in het openbaar hebben over het schrijven van hun huidige project: hmmm. Online screenshots van woordaantallen, foto’s van verhaalschema’s, foto’s van onleesbare aantekeningen, foto’s van een stapel printpapier met rooie kringeltjes erin: meh. Ik snap het wel: het is fijn om je omgeving, terwijl je als een maniak aan je manuscript zit te werken, te laten zien dat je nog leeft. En als je na drie jaar afwisselend naar een knipperende cursor staren en vruchteloos duizenden woorden typen eindelijk over de 40.000 woorden heen zit, heb je misschien behoefte aan een schouderklop of applaus. Maar ik denk dan: joe, ik merk ’t wel als je boek af is hè. Dat heeft ongetwijfeld te maken met dat ik over het algemeen ook niet erg gevoelig ben voor ‘kijkjes achter de schermen’ (behalve als het achter die schermen heel spectaculair is, met veel vuur en mooie kleuren, zoals bij een glasblazer, of heel hoog, zoals in een hijskraan) of – en deze is tricky – de biografie van kunstenaars en schrijvers (tenzij met veel vuur en mooie kleuren, drank en hoeren kennen we nu wel). In die laatste categorie bestaan natuurlijk uitzonderingen, want een goeie biografie, biopic of een goed interview kan een kunststuk an sich zijn. Toch kennen mijn twee desinteresses – die stapels printpapier en die biografieën – misschien dezelfde oorsprong: het is namelijk je reinste demystificatie – ik mystificeer mijn helden graag. En soms is het gewoon kokette aanstellerij, bijvoorbeeld in geval van een overdaad aan online voortgangsverslagen, schrijven over je eigen schrijfproces of nodeloze autobiografieën.  Doe gewoon je ding, schrijvers, applaus volgt wel tijdens je boekhandelstoernee. Suck it up.

leonid_pasternak_-_the_passion_of_creationDit gezegd hebbende wil ik het even over mijn eigen schrijfproces hebben. En dan niet alleen dat van mijn volgende roman (huidige stand: 5000 woorden waarvan minstens 4000 poep, bedankt dat u ernaar vraagt) (hairflip), maar dat van alles bij elkaar; recensies, columns, blogs, verhalen, essays, de dingen die ik schrijf of eigenlijk zou moeten schrijven. Iedere keer als ik ergens aan begin, gaat het hele internet and beyond door mijn achterhoofd, of eigenlijk niet het hele internet maar een heel klein kruimelig hoekje ervan, waar je, als je er eenmaal in zit, verdomd moeilijk uitkomt, tenzij je het voor elkaar krijgt niet op social media te kijken maar daar ben ik persoonlijk te millennial voor. Het Literaire Internet. Een flauwe doch dikwijls correct gespelde afspiegeling van wat er in de echte wereld gebeurt, gelardeerd met polemieken tussen veelal heren uit de polemische generatie of met tenminste sympathieën in die richting, en een aantal flinke gewetensvragen.

cover_of_gutter_star_by_dorine_b-_clark_-_illustration_by_frank_uppwall_-_intimate_novel_1954Dan schrijf ik een roman met een mannelijk hoofdpersonage en denk ik nee dat moet een vrouw zijn want waarom schrijven we de hele tijd maar over mannen, alsof het echt zo is dat een mannelijk personage een soort blanco canvas is zonder afleidende bijzaken en bij vrouwen ineens alles uitgelegd moet worden, en dan verander ik ‘hij’ in ‘zij’ en ben ik ineens een kneiterlesbische zeikroman met veel te veel uitleg aan het schrijven, wat is daar mis mee vraagt u, nou helemaal niks, maar het overschaduwt de rest van het plot zo, en waarom schrijf ik eigenlijk geen Grote Geëngageerde Roman, nou, is het niet al genoeg dat ik niet over mezelf schrijf, nee, dat is niet genoeg, het moet Over De Wereld Gaan, maar ik heb helemaal niks van de wereld gezien, en dan verander ik die zanikende lesbo maar weer in een witte man van middelbare leeftijd en ga ik mezelf een beetje haten, maar dat zal wel weer komen omdat ik een vrouw ben.

Dan heb ik een mening over of schrijvers elkaars boeken moeten recenseren en schrijf ik die op maar heb ik na een aantal zinnen überhaupt geen zin meer om daar een mening over te hebben, want de literaire sector bestaat uit ongeveer vijftien mensen die zich heel druk maken om de literaire sector en de rest van lezend Nederland zal het werkelijk aan de reet roesten, maar als helemaal niemand meer een mening over dat soort dingen zou hebben zou het vrij rampzalig zijn, want de literatuur moet toch levend blijven, en het zou jammer zijn als die alleen in leven gehouden werd door louter (al dan niet mentaal) belegen kerels, echter, waarom ga je elkaar in het openbaar te lijf met vuile stukjes en niet gewoon telefonisch of zo, maar, dan onderschat ik weer het hele genre van de polemiek, en, doe ik nu iets heel belangrijks af als stijloefening, dus, kom ik eigenlijk nog wel eens ergens anders dan op een boekpresentatie, nee, en dan bel ik mijn moeder of we in godsnaam even ergens zonder literatuur in de buurt wijn kunnen gaan slempen, hoe ben ik hier eigenlijk beland, na zes bier klink ik als een ouwe Jordanees en eergisteren woonde ik nog in een nieuwbouwwijk en dacht ik dat De Groene Amsterdammer een blad voor natuurvrienden uit de stad was.

1024px-voor_de_vuist_weg_1971-02-26_-_tante_leen__johnny_jordaan_1Dan vind ik het echt heel belachelijk dat er mensen zijn die beweren dat er een absolute vrijbrief moet zijn voor het reproduceren van racistische stereotyperingen in Naam Van de Kunst, dan wil ik daar iets over opschrijven, maar dan denk ik: heb je Roos, met d’r donkerblonde haar, d’r witte vrienden en d’r keurige ouwelijke dictie tenzij zes bier, anders hou ik gewoon mijn geprivilegieerde muil even in het openbaar, en dan bel ik iemand op om even tegen te fulmineren, wat dus geen schrijven is, wat verdomme geen schrijven is.

Dan wordt er om de zoveel maanden een boek onterecht bejubeld en zou het op zich wel prettig zijn als iemand even zou opschrijven dat het een matig boek is, maar ik ben dus niet degene die dat gaat doen, ik hou van niet zeiken, in ieder geval niet over Nederlandseboeken, want dan vallen die vijftien mensen over je heen en daar is het leven te kort voor, en God, iedereen moet het toch eigenlijk lekker zelf weten levenlatenleven etc., ik hef zes glazen bier en biets een peuk, roep tegen mijn literaire vertrouwenspersonen ‘dit is een kutboek’ en daarna ga ik ergens shoarma eten en neem ik preventief een paracetamolletje.

Maar ondertussen ben ik dus zo hard bezig met niet over al die dingen schrijven, me keurig op de vlakte houden, alles doodnuanceren en relativeren, dat ik terstond ook niet meer kan schrijven over dingen die helemaal niks met bovenstaande kwesties te maken hebben. Er zijn Belangrijke Dingen aan de Hand, tenslotte,  in die kruimelige literaire hoek maar vooral in de rest van de wereld, hoe kun je het dan nog hebben over de neusverkoudheid waar je eigenlijk deze blog aan wilde wijden? Wie zit daar op te wachten? Helemaal niemand, nee. Inderdaad: suck it up.

fredott

 

Hallo, lezer die ’t tot het eind van deze tekst gehaald heeft. Dit is een tirade die oorspronkelijk op de site van Tirade verscheen. Daar schrijf ik meer, en met mij vele anderen, lekker lezen dus. 

 

Afhankelijkheid

“Mijn vader ligt diep in zijn kussen op een bed op de intensive care in een wirwar van draden, er zijn machines die hem in leven houden en artsen die geen tijd hebben, ik heb net staan schreeuwen dat ze me binnen moeten laten, dat ik zijn dochter ben, dat het me geen reet kan schelen of ik door een bewusteloze man als officieel contactpersoon ben aangemerkt of niet. Er was een receptioniste met een slechte dag, ik was onredelijk, riep tegen haar dat ze er goddomme maar iemand bij moest halen, een baas, de beveiliging. In mijn broekzak ging mijn telefoon, het was mijn werk, ik nam niet op.”

De Correspondent publiceert een serie essays onder de noemer ‘Afhankelijkheidsverklaring’. Mij werd gevraagd of ik hier een bijdrage aan wilde leveren en dat deed ik

Prachtig geïllustreerd door Pieter van Eenoge.