I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.

straatgenegenheidsspectrum

‘Ik zie u roken,’
De man, een jaar of tachtig, minstens, hield me staande. Hij liet zijn rollator los.
‘Krijg ik nu een preek?’ vroeg ik licht geïrriteerd en schuldbewust.
‘Zou ik er eentje mogen?’
Dat mocht. God, sorry, natuurlijk mocht dat. Hij grinnikte, leende ook mijn aansteker even. Zei dat hij alles thuis had laten liggen, hij moest nog een paar kilometer wandelen, met die kar voor zich.
‘Wandel-ze,’ zei ik.
Toen stak de man zijn hand op, alsof hij me een high-five wilde geven, dus ik stak die van mij ook op, maar het was een knuffel, ‘o,’ zei ik en toen werd het ineens een natte kus in mijn hals, ‘ho,’ piepte ik en voor ik het wist vervolgden we allebei onze wegen, de ruggen steeds verder van elkaar af.

Ik veegde lopende mijn hals droog. ‘Huh,’ zei ik, hardop.
Het is natuurlijk ook gewoon leuk om mensen in hun hals te zoenen.

Toch: na die ‘huh’ werd ik pissig, want als die man niet tachtig was geweest en geen rollator voor zich uit had geduwd had -ie een hengst gekregen wegens deze verrassingsaanval.

Er is een straatgenegenheidsspectrum dat per mens (v/x/m) verschilt. Voor mij (en dus niet: voor alle vrouwen, ik heb het tegen jullie, mensen die vrouwen alleen in vrouwenpanels zetten om erachter te komen wass das Weib will) ziet dat spectrum er ongeveer zo uit:

(bedankt voor het compliment, ja, zelf gemaakt)

Natuurlijk is dit allemaal contextafhankelijk. Bijvoorbeeld: is de straataanbidder dronken? Zo ja, dan schuift ’t hele spectrum op naar rechts. Heeft de straataanbidder zelfspot? Ietsje naar links. Klinkt het ‘kopje koffie’ als ‘lekker effe anaal verkrachten in een vochtige kelder’: naar rechts. Ik ben weleens zo goedmoedig op mijn kont geslagen dat het spectrum in een knoopje lag, maar dat is er eentje voor de vakmannen.

En dat mannetje dan? Hij was onschadelijk. En daarmee viel hij spontaan van die mooie tekening hierboven. Wat de boel voor een vrouw bedreigend maakt, zo wordt vaak terecht benadrukt, is het feit dat een man vaak fysiek sterker is (en maatschappelijk machtiger) dan zij. En deze man, ja deze had geen manieren, maar als ik niet zo verbaasd was geweest had ik ‘m om het af te leren even op z’n achterhoofd kunnen tikken zodat –ie z’n kunstgebit verloor. Ik had z’n rollator kunnen wegduwen en ik had ‘m pootje kunnen haken, enzovoorts.

Dat praat het niet goed, want waarschijnlijk wist hij best dat hij ermee weg zou komen. Zelfs als ik tegen hem was gaan schreeuwen was ik, en publique, de bruut geweest. Het is heel lief, dat we aan ouderen denken in termen als ‘mannetje’, ‘besje’ (wat is het mannelijk equivalent hiervan? Stronkje? Zwammetje?) en ‘ouwe viespeuk’. Vervelend, dat ook, belachelijk om na je zeventigste ineens overal als ‘omaatje’ en niet als je capabele zelf gezien te worden. Maar het zorgt er ook voor dat asociale ouwe zwammen overal mee wegkomen. Het moet ze gegund worden, zo in de winter van hun leven: voordringen bij de bakker. Vrouwen op straat in hun hals zoenen. Hihi, snoeperd!

Al hoefde ik die mafkees niks te gunnen: schreeuwen deed ik dus niet. Hij was al te ver weg. Bovendien was ik niet kwaad maar teleurgesteld. In mezelf. Omdat ik een vrouw ben en geleerd heb dat het altijd aan mij ligt, geloof ik, maar dat klinkt ook weer zo zielig.

Ik dacht: laten we deze maar verdringen, en vanavond in bed het patriarchaat een beetje extra vervloeken.

*

wedergekeerde hitte

Heet, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ik roep altijd dat het me niet heet genoeg kan zijn, en dat is ook zo, maar nu ineens kan ik het niet hebben. Slapen lukt niet, eten is vies, werken verschrikkelijk en de zon heeft een vitaal deel van mijn hersenen verweekt waardoor ik de hele tijd dingen vergeet; afspraken, wc-papier, voornemens. Onder al dat gezweet ben ik gelukkig, overigens, ik heb heel veel zin in allerlei dingen als het niet 32 graden is.

Hundstage, denk ik steeds en dan aan dat ik die film nog steeds eens moet kijken. Ik probeer ook aan boeken te denken waarin het vreselijk heet is, maar verbanden leggen tussen roman & de dagelijkse werkelijkheid zit niet zo in mijn systeem, geloof ik. Ik denk wel aan films (dus), of aan songteksten, maar de literatuur blijft in de literatuur. Misschien is dat wel waarom ik er zo van houd. Als ik een boek lees ben ik dáár, en niet hier. Ergens schaam ik me er toch voor omdat ik het gevoel heb dat het wel zou moeten – die verbanden leggen dus.

De schimmen, van César Aíra, maar nu speel ik vals, vorige zomer dacht ik ook al aan dat boek. Is het in Post Office van Charles Bukowski heet, of denk ik dat alleen maar omdat ik het boek las in mijn eerste zomer als postbode (heerlijk; de winter, dat was pas erg)? The Sisters Brothers van Patrick DeWitt misschien, hoewel ik dat ook kan denken omdat het een soort western is, en in westerns brandt de zon en brandt het zand. Is het zomer in Nina Polaks We zullen niet te pletter slaan? Geen idee, maar ik weet wel dat het dat was toen ik het boek las.

Ja als iedereen het erover heeft, dan ga ik vanzelf romans in de werkelijkheid zien; de muggen uit Nooit meer slapen, de trein uit Anna Karenina.

Ik doe het andersom, geloof ik, ik verbind mijn omstandigheden aan boeken, in plaats van de boeken aan omstandigheden.

Zegt dat iets over mij? Ik lees niet om te herkennen, denk ik, maar wil ik dan zelf herkend worden door een boek? Nee – zelfs non-fictie valt ten prooi aan mijn weerprojecties. Cities are good for you van Leo Hollis bijvoorbeeld, gaat (surprise!) over steden, en ik zie al die steden (zoals Almere!) voor me in de stromende regen.

Vlak voor ik dit stukje typte keek ik op Instagram, waar een foto te zien was van iemands voeten in een voetbadje. Ik wilde schrijven dat ik dat nooit doe, een voetbad, omdat je dan wel even verkoeling hebt maar daarna is het nog veel erger om het weer warm te hebben, dan kan je beter maar gewoon de hele tijd warm blijven en niet steeds weer die teleurstelling over je afroepen. Bovendien zit je daar maar, met je lelijke poten in een teil en zeker weten moet je naar de wc en ben je vergeten een handdoek naast dat ding te leggen waardoor je over je laminaat moet glibberen et cetera – ik wilde dus schrijven dat ik tégen voetbadjes ben, ook op Instagram, omdat ik zelfs bij het zien van een fotovoetbad de sensatie van wedergekeerde hitte ervaar, en toen kwam het ineens naar boven.

Marga Minco. Volgens mij is het ’t eerste verhaal uit de verzamelbundel Achter de muur (Bert Bakker, 2010). Een man, een soort deur-aan-deur verkoper (‘Hij had een slappe deukhoed op en droeg een koffer, die hij nu op de stoep zette. Tussen zijn gestrekte wijs- en middelvinger hield hij een visitekaartje omhoog.’) klopt aan bij een vermoeide vrouw. Wat ze nodig heeft, zegt hij, is een voetbad. Morrend (“ik voel er zo weinig voor”) geeft ze toe, ze steekt haar voeten in een teil. Nadat de man flink wat helende substantie in het onnodige voetbad heeft gestrooid gaat hij even een doosje sigaren halen. Terwijl de vrouw merkt dat ze haar voeten niet meer uit de teil krijgt – gips! – klopt hij alweer bij de volgende buurvrouw aan.

Zit ze dan. Miserabel was ze al, in haar groene kamerjas, en nu zit ze ook nog vast.

Precies wat deze dagen met me doen, met de kamerjassenzon die ervoor zorgt dat elke beweging er als één te veel voelt. Het omslaan van een bladzijde, dat lukt nog net.

*

Omgang

De Sint Servaasprocessie duurde erg lang en was voor een Hollander die niks gewend is en nergens in gelooft spectaculair en vreemd tegelijk. Op een hoek van de Grote Staat stond ik, mooi vooraan, te kijken naar hoe notabelen en verenigingen, allemaal keurig uitgedost en op makkelijke schoenen, langsschreden. Wanneer zie je dat, schrijden? En gewaden? Vooruit: hier ziet iedereen, maar vooral bepaalde vrouwen, er net iets versgeknipter en deftiger uit, met die bolle blonde kapsels en getailleerde jassen met patroontjes erin. Soms wappert er ineens een oude non voorbij. Maar deze praal, mannen met draagbaren op hun schouders, levensgrote Maria’s, vrome kindertjes met lenteboeketten in hun knuistjes, alles glimmend en in gewijde stilte – zelfs de fanfare die ’s ochtends onder mijn raam jolig opstartte was ingetogen – daar kun je met open mond naar kijken.

Of je ergert je rot, dat is ook begrijpelijk; de winkels zijn dicht, de halve stad staat op zijn kop door een beschermheilige waarvan niet eens zeker is of –ie wel bestaan heeft, je gelooft niet in God, de wierrook slaat op je longen, je wilt er godverdomme langs maar er staan veertig getailleerde jassen en een paar bisschoppen in de weg. Het zou lekker zijn om even heel hard te roepen dat het allemaal idioten zijn in hun apenpakkies, en dat alles schijnheilig is, maar de meeste voorbijgangers kozen voor een passief-agressieve aanpak; gewoon oversteken. Hup, langs een non, of recht door een vroom zangkoor, kinderwagen vooruit en peuk omhoog. Omlopen voor God, dat is voor laffe schapen.

Ik vond het allemaal mooi. De praal, de chagrijnen, de stad. Heel vaak moet ik hier aan een van mijn wijlen oma’s denken, de moeder van mijn moeder. Die hield van mooie dingen en chique zaken, maar werd tegelijkertijd nogal rebels van de kouwe kak eromheen. Misschien omdat ze uit de Jordaan kwam toen het nog een volksbuurt was, of misschien is het iets in de genen, want al haar nazaten worden in dit soort situaties geloof ik verscheurd tussen bewondering en spot; ook ik bemerkte halverwege de processie dat er iets knapte in mijn kop. Het was net of oma vanuit een hemel waarin ze niet geloofde op mijn schouder landde en spottend zei: wat een poppenkast. Ineens ergerde ik me ook. Niet aan de processie (ze doen maar, als het loutert) en niet aan de overstekende mensen (idem) maar wel kreeg ik haast een fysiek allergische reactie op de vrouw die naast me stond.

‘Dat gekanker de hele tijd,’ fluisterde mijn oma me in met de stem die ik bijna vergeten was, zwaar van de sherry en sigaretten.

Gelijk had ze. De vrouw, in een veel te keurig pakje gestoken en met haar dat zo hard glansde dat ik er bijna sneeuwblind van werd, stond aan een stuk door heel devoot te zaniken over de overstekers.

‘Respectloos!’ zei ze net iets te hard, of ‘tuttuttut!’ of ‘Nou JA!’ of ‘Óngelóóflijk’.

Ik keek op mijn horloge: de processie duurde al een half uur en die vrouw was al een half uur aan het mopperen. Steeds luider, soms stootte ze me aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik net zo devoot was als zij. Ze schudde de hele tijd afkeurend met haar hoofd. Ik vroeg me af wat haar God vond van haar gedrag, probeerde me dat niet af te vragen, wat weet ik tenslotte van goden en heiligen?

Ik dacht aan de keer dat mijn geweldige oma iemand van z’n fiets trok toen hij ons bijna aanreed, aan de keer dat ze driftig een metrodeur openwrikte terwijl het rijtuig zich al in beweging had gezet, aan de klap die ze keihard op een motorkap gaf omdat –ie te hard glansde of zoiets en aan alle keren dat ze – net door rood gelopen, met in haar tas boodschappen die ze lekker niet gescand had bij de supermarkt, luidkeels discussies aanging met mensen die haar niet aanstonden. Je zag het aankomen, opborrelen, en je hoorde haar dictie van keurig ABN naar Amsterdams verschuiven.

Daar ging ik. Het was het parfum van die vrouw, de lippenstift die in haar mondhoeken korrelde, de welvaart die van haar afdroop, dat glanzende haar, het was het tasje aan haar onderarm en die vrome kaklakschoenen, het was haar schouder tegen de mijne, alsof ik iets met haar te maken had, en vooral was het dat gezever door een haast fluisterzachte stoet.
Nee, dacht ik, ik doe het niet. Anderewang, andere wang, anderewa-
Oma gaf me een zetje.

‘Mefrouw,’ zei ik ondanks al mijn voornemens in haar oor.
Ze staakte haar gejammer.
‘U seurt er dorheen.’

Daar ging oma weer, vast heel tevreden met haar onstoffelijk nalatenschap in de vorm van de genetische afwijking van Het Je Muil Niet Kunnen Houden. Ik was weer alleen. Schaamde me dood.
De vrouw was stil en kwaad.
‘Het gaat om respect,’ zei ze toen.

Ik zei niet: respect me reet. In plaats daarvan wachtte ik in besmuikt zwijgen een pauze in de processie af. Heel langzaam, in de hoop dat de vrouw het niet zou merken, gleed ik zijwaarts met de bocht mee een stuk verder de straat in. Daar ademde ik zo hard wierrookdampen in dat ik me haast in de Heilige Geest verslikte. Naast me barstte een winkelmedewerker die goddomme gewoon z’n winkel open wilde doen in lachen uit.

‘Gezondheid,’ zei hij.
‘In godsnaam,’ zei ik met een stem zo zwaar dat ik er iemand anders in herkende.
Hij bood me een sigaret aan. Samen zaten we de omgang uit.

Dramatick

Iets langer dan een maand woon ik nu in Maastricht. Veel meer dan de binnenstad heb ik nog niet gezien, want ik moest vaker heen-en-weer naar Amsterdam dan ik eigenlijk wenste en er kwamen een suffe lentegriep en een reis naar Boedapest tussendoor. Sowieso ben ik langzaam met wennen. De eerste weken heb ik nog net niet (als een bange kat langs de muren) alleen de route van mijn huis naar de academie afgelegd. Bovendien is de hemel de hele tijd regengrijs of deprimerend wit, terwijl mijn inmiddels lentebeige gemoed best zon en blauw kan gebruiken.

Vandaag, of eigenlijk gisteren, was ik klaar met mezelf. Toen mijn wekker ging dacht ik: mooi niet. Na een dag vol zaterdagkranten en het minimale aan werk sleepte ik mezelf naar een film: Django. In de folder van Lumière las ik dat de muziek voor die film is gemaakt door het Rosenberg Trio. Wat ik van de film vond weet ik eigenlijk niet zo goed, maar de muziek was prachtig.

Thuis, onder de douche, voelde ik me schuldig over het kopje koffie dat ik vlak voor de avondfilm had gedronken. Ik had totaal geen zin om te gaan slapen. Misschien, dacht ik, moet ik gewoon eens een nacht doorhalen, omdat het kan. Maar dat was natuurlijk geen goed idee want als ik daar eenmaal aan begin blijf ik bezig.

Toen vond ik een teek onder mijn oksel, net aan de zijkant. Van die ene zonnige dag dat I. en ik naar de Amsterdamse Waterleidingduinen waren gegaan om vossen en hertjes te zien. Nergens in huis een pincet natuurlijk, en mijn nagels had ik net geknipt waardoor ik zelfs niet kon improviseren. De teek was groter dan de zeven teken die ik twee jaar geleden uit mijn benen tekentangde, en gatverdamme pootjes lijfje beest een beest in mijn huid – ik ging op bed liggen om te slapen. Kreeg dat beest echter niet alleen niet uit mijn oksel; ook mijn hoofd was nu gevuld met TEEK.

Over de app consulteerde ik I., die een schaar suggereerde of het bellen van een huisartsenpost. A., met wie ik op z’n tijd lustig medische mysteriën uit kan wisselen stuurde me direct het nummer van de huisartsenpost.
‘Maar het is nacht!’ appte ik.
‘NOU EN’ appte A.
Ik ging weer liggen en probeerde niet aan de teek de denken. Niet zo aanstellen, stadsmens, dacht ik de hele tijd, het is maar een beestje, vroeger hadden we katten die soms onder de knikkers zaten en ik heb ongetwijfeld weleens een regenworm gegeten.
‘BEL DIE HUISARTS!’ appte A.

De dame aan de telefoon was heel leuk. Ze vroeg of de teek groot was (redelijk, hij doet wat een teek moet doen), of ik ademhalingsproblemen had (nee, al lette ik ineens op mijn ademhaling en overviel me een oeroude angst, namelijk dat ik er gewoon mee zou stoppen omdat ik erover nadacht), of het rood was (ja) en hoe lang hij er al inzat (gatver, twee dagen) (sorry dat ik je hiermee lastig val, zei ik ook, en dat ik niet moeilijk wilde doen of zoiets, maar even wilde checken of – ), ‘ja,’ zei ze, ‘kom maar even langs, dan halen we ‘m eruit.’

Googlemappend door Maastricht-by-night fietsen, een nachtwachtkamer, ik had net zo goed het woord DRAMAQUEEN op mijn voorhoofd kunnen schilderen, zo gezond was ik. Maar een mooie dokter haalde de teek weg. Ik moest erbij liggen, ook zoiets dramatisch.
‘De eerste teek dit jaar!’ zei hij, en hij bekeek ‘m even goed onder een lampje. ‘Dood.’
Ik zei ‘net goed’ maar de arts had al de hele tijd niet op mijn verontschuldigende grapjes gereageerd.

Bij de nachtapotheek haalde ik twee preventieve antibioticapillen die ik thuis – al kwart over twee, goddomme – braaf innam.
Ja, dacht ik. Nu kan ik net zo goed wakker blijven. Ook omdat mijn hele lijf nu uiteraard onder de fantoomteken zit, en ik ieder moment diverse andere parasieten onder mijn huid verwacht. Het goede nieuws is dat ik de hele tijd ben blijven ademen, de kop koffie maximaal heb benut en eindelijk wat meer van de stad zag, zoals de maan, rond als een weldoorvoede teek, schitterend op de Maas en in een hemel zo helder dat ik zeker weet dat hij was het nu middag geweest, zomerblauw zou zijn.

(foto via

*

(achterstallig) Nieuws

In Tirade verscheen een essay van mijn hand, over geëngageerde literatuur en het rechtop zetten van omgevallen schapen

Op De Correspondent verschenen enkele artikelen rondom Onheilig. Hier een interview en hier een bespreking, bijvoorbeeld.

Op Aicha Qandisha een kort verhaal van mijn hand.

Ondertussen is de derde J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. De prijs is opgezet door een groep korteverhalenliefhebbers, waaronder ikzelf, vandaar dat ik het even met trots wil melden. P.S. lees meer korte verhalen.

Over korte verhalen gesproken: voor NRC bespreek ik met zekere regelmaat vertaalde boeken. Bijvoorbeeld de meesterlijke verhalenbundel van Donal Ryan. Ook schreef ik een essay over de minstens zo geniale Shirley Jackson.

De Volkskrant riep me uit tot literair talent van 2017. Een beetje voorbarig misschien, maar heel eervol en ik mocht met een confettischieter op de foto en heel veel vertellen over de boeken die ik mooi vind.

Als u na al deze ontzettende bescheidenheid (zucht) nog meer aankunt, kunt u ook naar Amsterdam, Nijmegen, Purmerend, Rotterdam of Boedapest afreizen, ik draag voor, leesclub, ik interview mensen, enfin, zie ook de agenda. Van april tot en met juni verblijf ik aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht als gastschrijver.

Als u me zoekt, ik ben even een berg essays lezen ( <3 ).

Onterechte zorgen: in aanbouw

Ik leg een verzameling aan van dingen waar ik me onterecht heel even erg hevig zorgen over kan maken. Dit is een fragment.

Appartementen in aanbouw
Bij mij in de buurt staat een hele straat aan nieuwe, onbewoonde appartementen, hoogbouw, nog half in aanbouw, op een braakliggend terrein. Het zijn mooie appartementen die ervoor zorgen dat de rij huizen erachter minder zon heeft.
Ik fiets erlangs en ineens zie ik de aannemer voor me, of iemand van de woningcorporatie of de grondbezitter – ik weet niet hoe dat gaat, in ieder geval is het een man in een grijs pak in een kantoor dat net te koud is door de airco, dat naar cup-a-soup ruikt en dat uitkijkt op een snelweg of een winkelcentrum dat goeddeels leegstaat of een schoolplein, waardoor deze man de hele tijd terugverlangt naar de dagen dat hij buiten mocht spelen en gladde kastanjes in zijn zakken stopte en dat de zandbak soms vaag naar hondenpoep rook maar dat je er toch in ging; die man zie ik voor me, met iets teveel gel in zijn haar en schoenen die knellen, een vriendin die een kind wil, een man die zijn bleke gezicht ontspannen probeert te wrijven met zijn handen, hij denkt God, als die huizen maar verkopen, het zijn er erg veel, waar ben ik aan begonnen. ‘s Avonds probeert hij in slaap te vallen met een verse baksteen in zijn maag.
Arme kerel, en dan vergeet ik ‘m ook nog zodra ik de hoek omsla.

Te vroeg

Toen er onlangs voor het eerst in tijden zon langs mijn wang streek en ik meende een vleug bloesem te ruiken, liet ik al mijn werk vallen. Ineens worden de dagen weer langer – of nou ja, ze tellen even veel uren maar zijn lichter. Gelukkig maar, ik was net op het punt dat ik dagelijks rond de schemer week en neerslachtig ineen zeeg om de duisternis, het patriarchaat en het leven in het algemeen te vervloeken. In de winter vergeet ik altijd dat het ooit lente was en als dan eindelijk die eerste echt voelbare zonnestralen die typische warme-stoeptegellucht – al is ‘ie nog flinterdun en ligt er in de schaduw rijp over het gras – van de grond doet opstijgen gebeurt er van alles met me. Het is net of alle lentes die ik ooit heb gekend samenballen in het geluid van de eerste baltsende merel en een Britse toerist met een korte broek aan. Terrassen! Stoepkrijt! Seks!

Gehuld in niets dan twee tactisch omgebonden reepjes stof dartelde ik naar buiten om de liefde te verspreiden. Ja! De bomen die niet in de schaduw van flats staan knopten al voorzichtig en tussen het zwerfvuil in de berm kuierde een klein konijntje. De meerkoeten in de bruine sloten maakten hun knappend geluid en bouwden nesten van veters en patatzakken en de hemel stond zo blauw en stil boven Amsterdam Noord dat het net leek of alles behalve natuur en ringweg z’n adem inhield. Mijn buren uit de bejaardenflats knikten me vanuit hun beige jassen vreedzaam toe, of het was de tremor, maar dat maakte allemaal niks uit, want er kwam ook een peuter langs met een McDonalds-ballon in z’n kleverige handjes. Zijn moeder schopte vrolijk een klein hondje voor zich uit en riep dat iedereen de tyfus kon krijgen.

Niet uit het veld geslagen keek ik de andere kant op en vervolgde mijn weg, langs een parkeerplaats waar twee vrouwen in winterjas met hun handen op hun wangen keken naar een Ford waar de raampjes uitgetikt waren, het glas glitterde in de schelle zon en rijmde met de zwarte ramen van het casino waar, zo juichte ik inwendig, ongetwijfeld nu een miljonair ontstond, het moest wel, om het evenwicht tussen geluk en ongeluk te bewaren. Op een verder gelegen plein lichtten spreeuwtjes paars en blauw op in het licht weerspiegeld door winkelruiten van verlaten panden. Naast me stonden drie vrouwen te kankeren op de politiek. Een vierde kwam door het zoete strijklicht aan rijden op haar scootmobiel, hield halt en keek smakkend om zich heen. Toen ze alle aandacht had die ze behoefde, haar gezelschap zweeg afwachtend, zei ze luid: ‘ik heb een smaak in m’n bek, mensen, daar zeg ik u tegen!’ In de verte klonk een plofkraak.

Ik rilde, deed toch maar een sjaal om, keerde jammerend huiswaarts. Binnen moest de verwarming aan. Op de rand van het balkon streek, ondanks alles, een voorbarige koolmees neer.

Deze column komt uit Advalvas

Op Tirade blogde ik de afgelopen tijd over The City Builder, de buurman die geloofde dat Bush een reptiel was, Amsterdam Wildlife, en het explosiegevaar dat het Boekenweekgeschenk met zich meebrengt.

Seks

Een lezing die ik zou geven over mijn roman werd afgezegd door de organisator.
‘Er zit te veel seks in,’ zei ze, ‘ik denk dat ons publiek dat niet erg waardeert.’
De lezing zou voornamelijk gaan over de slaperige Duitse stad waar Onheilig zich deels afspeelt, in het kader van de Boekenweek. Hoewel ik de organisator geen kwaad hart toedroeg, het ging allemaal nogal knullig, moest ik wel heel erg lachen. ‘Dat ik dit nog mee mag maken,’ grapte ik op social media.

Mijn grap ontplofte in mijn eigen gezicht. Drie dagen lang kreeg ik e-mails en telefoontjes. Kranten, radio, boekhandels. Wilde ik langskomen, om over mijn seksboek te praten? Was het een idee als ik de organisator van de lezing verontwaardigd toesprak? Van een lokale omroep waart nog altijd het bericht rond dat ik een pornografische lezing ging geven. Harde (jaha) bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat het feit dat ik een vrouw in vruchtbare leeftijd ben iets met de ophef te maken had.

‘Ik wil graag langskomen,’ vertelde ik iedereen, ‘maar niet om een boekhandel te bashen.’
Dat was jammer. Daar ging de rel.
‘Bovendien,’ voegde ik naar waarheid toe, ‘heb ik geen erotische roman geschreven. Ik weet dat het een kwestie van interpretatie is, maar ik durf te zeggen dat niemand die het boek las er op die manier over na heeft gedacht. Of nou ja, bijna niemand dus.’

Aan de andere kant van lijn en scherm klonk twijfel en teleurstelling. Om niet al mijn eigen ruiten in te gooien, voegde ik een onvervalst stukje opscheppen, ballen en sterren incluis, aan mijn betoog toe:
‘Dat betekent niet dat er geen interessante dingen te zeggen zijn over die roman. Hij is goed ontvangen, vier sterren in de Volkskrant, vier ballen in NRC…‘

Maar waar was die seks dan, hijgde men. Zelf had ik daar even over moeten peinzen, na dat eerste, fatale telefoontje. Waarschijnlijk ging het om een korte passage, waarin één van de hoofdpersonages, een vrouw van tegen de zestig, niet zonder enige genoegdoening aan haar stervensbegeleider schrijft dat ze graag naar porno kijkt.

‘Je hoort nog van ons,’ hoorde ik, en daarna bleef het stil. Naar ik hoop omdat iedereen mijn roman aan het lezen is, wellicht vruchteloos met de broek op de enkels, maar toch.

Voor die nog niet aan het hele boek toe is gekomen, hieronder het gewraakte hoofdstuk. Ik kom hier, alsook over de rest van de roman, met liefde iets over zeggen. Ik trek m’n spannendste pakje aan.

Jacoba,

Het is bijzonder dat alles nog lijkt te werken, behalve dat ik af en toe verschrikkelijk moe ben, of een beetje kortademig, soms zeurt er iets in mijn bekken. Ik kan nog klaarkomen. Ik schrijf dit op en voel me direct smerig, daarom zeg ik het niet als ik bij je ben. Je zult vreemdere dingen horen, daar niet van, maar ergens dringt het beeld van mijn oude tantes op familiedagen zich aan me op, dames met kant langs hun lellende halzen en lippenstift in de plooien rond hun mond, vlekken van de rode wijn op hun tanden, een adem die ruikt naar douchegordijn en alcohol. Vieze grapjes die pas afschuwelijk worden bij gratie van de gore lach die erachteraan knarst. Jij hebt appelwangen en drie frisse kinderen.

Je vraagt hoe het gaat met schrijven en ik zeg: dat gaat goed. Dan praten we over praktische zaken zoals: wanneer regel je je eigen crematie?
Jij ziet eruit als een christen, maar ik wil je niet naar je God vragen.

De laatste keer dat ik seks heb gehad zal voorgoed de laatste keer zijn en het was net zo ongeïnspireerd als de eerste keer, maar dan in de wetenschap dat het beter kan. Mijn eerste en enige internetdate, een tip van Leendert. Een site voor hoogopgeleiden. Ik loog: kunstgeschiedenis. Gebruikte een foto van mezelf en niet van een jonge blom, zoals Leendert suggereerde, ik was het met een mooie rode jurk aan en haar tot mijn borsten, die verdomde borsten. Die foto maakte mijn zus op een dag vol zon, we aten koude pannenkoeken aan de Amstel, maar dat zette ik er niet bij.

We dronken wijn en bier en aten op Gerards initiatief in een restaurant aan het Museumplein, vlak bij de kunst waar we allebei niet over spraken, leugenaars, we neukten bij mij.
Ik veranderde mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en was als de dood dat hij op een dag onder mijn raam zou staan en ik was beledigd toen dat niet zo was.

De ziekte was er nog niet. Als ik had geweten dat-ie eraan kwam had ik het nog tien keer gedaan, met tien verschillende mannen en minstens één vrouw, al dan niet tegelijkertijd. Waar was ik mee bezig toen ik jong was? Niet met de juiste dingen, dunkt me, ik dacht: het komt nog wel. Die baan. Die twee mannen tegelijk. Die vrouw. Ook toen stond ik al voor een open raam rook langs mijn gezicht te blazen, zoals ze in films doen. ‘Je had ballerina moeten worden,’ zei Alfons; hij vond mijn houding mooi, mijn silhouet tegen de zon, in dat raam. Voor ballerina was het zelfs toen al te laat. Bovendien kan er net een walsje vanaf bij mij, mijn ware talent is klaarblijkelijk dat raam.

Ik kijk in bed naar porno en probeer niet aan mijn botten, longen, borsten, ingewanden te denken. Zo nat als vroeger word ik niet meer, als je dat wilt weten, Jacoba, jij zit nog in je vruchtbare jaren, dan gaat het anders. Het lekt niet meer mijn broekje door, de lakens in, maar het glijdt genoeg. De filmpjes waarin je ziet dat de vrouw nat is zijn het best, daar kun je tegenwoordig gewoon naar zoeken.
Vroeger was het leven overzichtelijker en rustiger – zonder internet, honderd tv-zenders, mobieltjes – maar terug zou ik niet willen.