Een soort verbale selfie (over smartphones en Facebook)

In Tijd, een zaterdagbijlage van Trouw, een artikel over drie jonge mensen zonder smartphone. Die van Auteur Anne Wijn (‘twintiger’) werd gejat: ze ervoer opluchting. De geïnterviewden schaften er nooit een aan of grepen bewust terug naar een simpeler model.

Ik denk vaak aan een filmpje uit de jaren negentig, geschoten in en rond Amsterdam Centraal, waarin mensen monter uitleggen waarom ze nooit een mobieltje aan zullen schaffen. Ze zien eruit om heimwee van te krijgen, wat helemaal nergens op slaat, dat komt gewoon omdat ik zelf de leeftijd krijg waarop ‘vroeger’ als glanzend en versimpeld geluk aan het eind van de regenboog ligt; als ik lang denk aan waar ik toen allemaal mee zat zou ik bijna een feestelijke optocht organiseren omdat ik goddank geen tiener meer ben.

Toch: de herinnering aan het filmpje komt niet voor niets zo regelmatig terug. Mijn eerste mobiele telefoon kreeg ik rond m’n zestiende, tegen m’n zin, maar ik belde zo’n beetje dagelijks (collect…) naar huis met de telefoons die op Centraal Station stonden. Als ik met mensen afsprak op het meetingpoint van datzelfde station kwamen ze steevast een halfuur te laat en dan zeiden ze ‘ja, als je nou een telefoon had, kon ik je sms’en.’ Stond ik zelf stil in metro 54, maakte ik me zorgen om wie ik liet wachten. De eerste smartphone stelde ik lang uit. Inmiddels overweeg ik iedere dag dat ding, omdat het zo groot is dat het in geen enkele zak past (of wel, maar dan kan ik niet zitten of mijn been niet buigen) een sloot in te flikkeren. Net als dat ik er al jaren naar neig m’n Facebookprofiel op te zeggen wegens moedeloosheid: al dat gekanker op alles, mensen met de selfietyfus, baby’s die ik niet ken, complotdenkers die ondanks hevig filteren mijnerzijds toch steeds weer de kop opsteken. De mens is mooi, het vreemde geweldig, maar op deze manier blijft er weinig van over. Misschien juist door dat gefilter. Enfin, wie zonder zonde is enzovoorts, ik zadel een deel van u op met dit uiterst particuliere blogje, een soort verbale selfie, via Facebook.

In het artikel van Anne Wijn las ik dat de belangrijkste reden dat ik de smartphone nog heb, precies is wat de drie smartphonelozen als grootste – maar duidelijk geen onoverkomelijk –  nadeel ervaren: de (halleluja!) navigatiefunctie. Hoewel ik heb leren kaartlezen in een tijd dat Google Maps nog toekomstmuziek was, ben ik er altijd hopeloos, stereotypebevestigend, beschamend slecht in geweest. Sinds ik weet hoe je jezelf met behulp van een telefoon in een blauw bolletje kunt veranderen dat met de kaart meeloopt is het leven zo ontzettend veel makkelijker geworden. Voor het vragen van de weg ben ik niet te beroerd, maar mensen die dit argument verbolgen op hun Facebookpagina plempen zijn duidelijk nooit analoog fietsend midden in de nacht in een diep slapend dorp, het verkeerde dorp, terechtgekomen, of door een kaartleesfoutje midden in een sneeuwstorm in de slechtste wijk van Chicago om door een goedgeluimde doch doodenge kerel vol getatoeëerde tranen onder z’n shifty eyes naar een beter oord te worden geëscorteerd (goed verhaal, maar ik had deze ervaringen best kunnen missen).

En Facebook dan? De reden dat ik daar nog ronddool deel ik met veel andere creatieven. Het is een reden waar ik me een beetje vies-plakkerig bij voel, maar wel een belangrijke: ik ben zichtbaar. Of in ieder geval: mijn werk is dat. Nu is ‘zichtbaarheid’ niet de primaire drijfveer achter wat ik doe, het krijgen van opdrachten is wél belangrijk, en ook opdrachtgevers vinden of kennen me vaak via het medium.

Het kan anders, dat zal het uiteindelijk ook wel, in ieder geval betreffende dat slepende geFacebook. De navigatiekwestie, intussen, stel ik hoe dan ook nog even uit. In het najaar ben ik terug in Chicago, vermoedelijk als het gelukkigste blauwe bolletje in het stratenplan.

[foto: een analoge spiegelselfie]

damesemisoftboothockeyschaats

Er komen, uiteraard, steeds meer zaken bij waardoor ik me een beetje belegen voel. Zo volg ik geen vloggers, heb ik vorige week ‘op me monnie’ gegoogeld en werd alweer jaren geleden een jongen die me nafloot terechtgewezen door zijn vrienden want ‘zij is tantoe oud’. Ook zaken die de brulfeminist in me oproepen blijven zich opstapelen, van Thierry Baudet tot het feit dat ik me voor écht warme truien en broeken met zakken waar meer dan een anticonceptiepil inpast tot de mannenafdeling moet wenden.

De schaats, beste mensen, is een catastrofale combinatie van die twee.

Ongeveer tachtig jaar geleden heb ik leren schaatsen van mijn vader, eerst op Friese doorlopers die na vier slagen aan de zijkant van mijn schoenen hingen (klompen had ik dan weer niet), daarna op noren die al zevenhonderd jaar in de familie zaten maar nog steeds, of juist daarom, van keihard leer waren en zelfs op tochten naar Abcoude de warmte van mijn zweetpoten niet binnen konden houden, waardoor ik altijd met een speelkaart tussen mijn bebloede blokken voet-ijs en de hiel van de schaats reed. Ben ik zo oud dat ik hier nostalgisch van word? Nee, man. Wel van het geluid van ijs onder ijzer, het riet, die heldere brom die vrieslucht is, het uitzinnige geluk van eindelijk pootje-over te kunnen, de herinnering aan mijn schaatsende vader die wolken blaast, maar niet van de schaatsen zelf. Na een tijd groeide ik uit die noren en waren er wel nog kunstschaatsen in mijn maat – die schaatsentas op zolder was werkelijk een wonder – die waren net zo koud en hard, met als enige verschil dat ik de hele tijd op m’n muil ging omdat er karteltjes op zitten, waar bij noren gewoon het schaatsijzer doorloopt. Schaatsen, een enkel slechtgeslepen huurgeval daargelaten, heb ik al zeker twintig jaar niet meer aangeraakt.

Ik dwaal af.

Na een voorbarig depressietje wegens het feit Dat Het Volgende Week Gaat Vriezen besluit ik geheel tegen mijn zwart gemoed in er ‘dan maar het beste te van maken’ en, ‘misschien ligt er ergens wel een plas dicht’, schaatsen aan te schaffen. IJshockeyschaatsen, want voor Tochten Naar Abcoude wintert het toch niet meer hard genoeg (in koor: ‘tegenwoordig, in dit land’). Ondanks mijn hoge leeftijd besluit ik ook dat ik deze IJshockeyschaatsen online aan wil schaffen, want naast bejaard ben ik ook lui en impulsief. Na jaren van halstarrig herenracefietsjes ontdekte ik dat een damesmodel gezien mijn geringe spanwijdte toch echt comfortabeler is*. Na decennia herenskates gaf ik toe dat mijn voeten erg smalle vrouwenvoeten zijn. Dus, om lang verhaal nog iets langer te maken, tik ik op De Internet in: ‘hockeyschaats dames’.

Niet alleen blijkt dat schaatsen er tegenwoordig (in dit land #waarzijndetradities) uitzien als futuristische combinaties tussen een raket, een traplift en een outfit van Lady Gaga waardoor ik mijn zoekterm moet veranderen in het half pornografische ‘hockeyschaats dames semi-softboot’, ook blijkt dat de algoritmes van De Google voor mij bepalen dat ik daarmee bedoel: kunstschaats.

Nee, Google, je gaat zelf maar lekker plat op je bek terwijl alle buurjongetjes gierend van het lachen pootje-over gaan.

Als het me na enige omzwervingen lukt om dan toch die (betaalbare, ik herhaal, goedkope, ik herhaal: als ik rijk was liet ik ze wel op maat gieten) dameshockeyschaatsen tevoorschijn te internetten, blijkt dat het óf toch geen damesschaatsen zijn, OF DAT ZE WIT MET BLOEMETJES ZIJN OF WIT MET ROZE GESPJES OF ROZE MET EEN GLITTERTAMPON EROP EN DE MEDEDELING ‘PAS OP ZWENKT UIT HURHURHUR’.

Fuck it, echt**. Als het dichtvriest en u me zoekt: ik zit binnen, in een warme mannentrui, mijn enorme mannenzakken (there, I’ve said it) vol met o.a. de Russische Bibliotheek (het moest er maar eens van komen), snacks, een windhond en veel smart, te wachten tot het lente is.

 

*Ik vind het altijd een beetje moeilijk om iets over fietsen te schrijven omdat er naast echte nazi’s, feminazi’s, taalnazi’s en speciaalbiernazi’s, ook een bijzonder grote groep fietsnazi’s bestaat, en dan niet van het soort dat ze jat, maar het soort dat op een spaak wijst en zegt dat die HELEMAAL van het verkeerde materiaal is gemaakt en dat je zo net zo goed kunt proberen om op een nietmachine De Tour te gaan rijden. Vandaar even de disclaimer: nee, ik heb niet ALLE herenfietsjes geprobeerd en ja ik WEET dat het op de micromillimeter aankomt maar God Jezus Allemachtig láát me, laat me gewoon lekker op mijn damesnietmachine zitten, merci.

**Hoi schaatsnazi’s! Ja, natuurlijk kun je heus wel ergens in een hoekje van internet 1 goedkope damesemisoftboothockeyschaats kopen, en uiteráárd bestaat de mogelijkheid tot kinderschaats en túúrlijk unisex blaat piep tuut maar dude (m/v/x), het gaat me even om de bloemetjes, karteltjes en aannames hier, merci again.

*

vocabulaire

De westerwind waait over de stad. Metrolijnen ingekort, tunnels afgesloten, daar merken we niks van in ons geïsoleerde stukje Amsterdam. Zorro de Spaanse windhond en ik gaan naar het vaste uitlaatveld; onderweg zien we een grote rat onder een auto schieten. Zorro mag er even naar kijken. Ik praat vaak tegen hem als we samen lopen. ‘Wat een mooie rat,’ zeg ik. Of ‘wat een geweldige bus!’ want hij wil altijd even stilzitten en naar bus 33 kijken als die passeert. Sommige chauffeurs zwaaien naar hem, ook de ouwe knorrepotten die mij bij het instappen afkeurend aankijken omdat ik een kop heb die bepaalde kerels niet aanstaat. Volgens mij kent Zorro het woord bus. Auto kent hij ook, want hij vindt het leuk om vanaf de achterbank van de Twingo naar buiten te kijken. Brokjes, slokje water, Zorro nee, sok.

Nu lopen we niet langs de busroute maar langs een basisschool die volgende week weer open gaat. In de warmverlichte lokalen zijn vrouwen bezig met het ophangen van versieringen en Zorro mag van mij niet tegen een speeltoestel aan plassen. ‘Nee hè,’ zeg ik en ik weet heus wel dat ik niet de hele tijd tegen die hond moet ouwehoeren, dus daarna houd ik mijn mond. Ik herinner me het weer naar school gaan na de kerstvakantie: de geur van natte jassen, bruine boterhammen en glitterlijm en in de schoolhal de koffie-en-sigarettengeur die uit de lerarenkamer kwam. Regenlaarzen waarin je sokken afzakken. Nostalgisch word ik er niet van, trouwens, ik vond het helemaal niet leuk om naar school te gaan en in regenlaarzen krijg je koude voeten.

Na het uitlaten – het beest gaat los, rent hysterisch rondjes, bijt andere honden stiekem in hun konten, heeft een vast maatje waarmee hij altijd over politiek blaft, een blije labrador die zijn gebit schoonlikt en een vriendin waar hij mee gaat knokken – lopen we de busroute naar huis.  Het regent en we hebben de wind tegen en er is geen bus en Zorro kijkt pissig naar me om terwijl hij aan de lijn trekt. Je moet dieren geen menselijke gedachten en gezichtsuitdrukkingen toekennen natuurlijk maar ik doe dat lekker wel want heb daar plezier in, volgens mij denkt mijn hond dat ik die regen heb aangezet, die wind heb aangezwengeld, en dat ik daarna expres heel langzaam op die stomme mensenbenen naar huis stiefel, maar niet nadat ik alle bussen heb gebeld dat ze even niet door Amsterdam-Noord mogen rijden en hij mag ook al niet de mayo uit een patatbakje likken. Hoe durf ik.

‘We zijn er bijna, kerel, dan kan je je warme mandje in,’ zeg ik. Maar dat begrijpt hij dan weer helemaal niet. Of (brokjes!) ik (brokjes!) effe (BROKJES!!1!!) op kan (brokjes?) schieten.

[foto van het beest: Irwan Droog]

Muze

Ik kocht een museumjaarkaart en liep FOAM in. Er hing moois en minder moois en dingen die vast heel interessant waren maar nog steeds niet mooi, moet kunst mooi zijn, nou nee (al is het wel een pré naar mijn bescheiden neanderthalermening). Ik houd gewoon van mooie fotografie en was daar niet om verlicht te worden maar om even een esthetisch bevredigende ervaring op te doen. Dat lukte heel goed bij het werk van André Kértész (Hongarije, 1894 – VS 1985) die in onder meer Hongarije, Parijs en New York fotografeerde. Veel zwart-wit, ook toen het al in kleur kon, veel lijnen, veel straat.

Wie ook een esthetische ervaring leek te beleven was de verfrommelde man met het kunstzinnige brilletje dat heel toevallig steeds bij mij in de ruimte stond, en dan heel graag naar de foto’s wilde kijken waar ik ook naar keek. Hij liep rond met een houding die iets uitstraalde, op recepties zou vast iedereen denken dat hij iets heel belangrijks was in de Amsterdamse art-scene in de jaren zeventig, of zoiets, maar nu kwam -ie op me over als een kerel die ieder moment iets over muzes in mijn oor kon gaan fluisteren. Het slag dat me in een café onaangekondigd om de middel grijpt en zegt: ‘je bent zo lekker petite!’

Hij kwam net niet dichtbij genoeg om er te iets van te zeggen, en staarde net niet lang genoeg om te vragen of -ie het wel goed kon zien. Ik was net te moe om me hevig te ergeren.

Buiten liep ik rond met die misplaatst (ja, toch) verlichte blik die mooie foto’s je kunnen geven. Dáár zou ik een goed beeld van kunnen maken, die tram en dat waarschuwingsbord en die toeristen op de brug en die vrouw in het knalroze, met lippenstift tot onder haar oren. Maar dan denk ik al snel: dat kunnen anderen veel beter dan ik. Met schrijven heb ik precies hetzelfde, maar dat ga ik dan toch doen. Ik weet niet waar hem het verschil in zit.

Eerste klas

Terwijl het land van Amsterdam tot Venray langsschoot – plat, weilanden, steden, dorpen, niks, volkstuinen, heuvels, andere steden, boerderijdieren, naaldbomen – verloor ik al mijn plannen. In m’n tas zat een boek dat ik nog moest lezen, het bleef erin zitten, dat gebeurt altijd in de trein; laat me vanuit iets bewegends naar buiten kijken en ik ben uren zoet. Het was koud in de coupé maar met een jas aan ging het wel. Af en toe materialiseerde in de stoel tegenover me bijna een dode waarvan ik weet dat ze net als ik erg van treinreizen hield, haar stem kwam omhoog van de bielzen en omlaag uit de wolkenlucht, het was goed, ik werd er rustig van. Het kan louterend zijn de doden bij je te dragen – niet letterijk uiteraard – met nadruk op kan, als ze allemaal tegelijk komen spoken ga ik liever even iets anders doen, dat boek lezen, een vriend bellen. Ik reisde eerste klas, omdat je soms in weekenden voor vijf euro een upgrade kan krijgen.

In Venray gaf ik een lezing voor een publiek dat zo stil was dat ik halverwege vroeg of ze niet sliepen, toen moesten ze hard lachen, het was aandacht.

Terug was de reis net zo kalm en net zo eerste klas. Ik voel me overal thuis, dacht ik, bij het hele landschap. Betekent dit dat ik me een Nederlander voel? Dat de vlakke natte weilanden net zo vertrouwd zijn als het glooiende zanderige zuiden, dus – ja, ik denk het, ik ben heel Nederlands, in allerlei opzichten. Maar zoiets opschrijven impliceert weer van alles. Ik vierde nooit een kringverjaardag, iedereen kan mee-eten, en die hele hoeksteennormenwaardenzooi ach nee, terwijl ik wel veel te direct ben en oernederlands luid. Het is een kwestie van aanleg denk ik, je thuisvoelen op de grond waar je toevallig geboren bent, het heeft meer met die grond te maken dan met de mensen. Er zijn er zat die dat helemaal niet hebben, die willen de hele tijd weg omdat ze klaar zijn met pvv’ers, de werkmentaliteit, met witte driekwartleggings en De Wereld Draait Door. Ja, denk ik dan, mensen kan ik overal zat worden. Maar dat platte groen en dat heuvelige löss!

Maar goed, dat heeft misschien weinig met een volksidentiteit te maken, dat heeft gewoon te maken met aan vasthouden aan je bekende uitzicht. Lekker, vind ik dat, maar soms wilde ik iets meer verlangen naar verre bergen en onbekende kliffen.

Ik zat me erg thuis te voelen, kortom, in die trein die ook nog eens naar het thuist aller thuizen denderde, Amsterdam. Als ik daar te lang niet geweest ben moet ik altijd even een blijbibberige ademteug nemen als ik binnenrijd. Wel had ik inmiddels dat boek uit mijn tas gepakt. Bij pagina vier kwam kwam er een ouder stel de coupé in, waarvan de man me lang monsterde. Toen draaide hij zich om naar zijn vrouw en zei: weet je zeker dat dit de eerste klas is?

‘Nee,’ wilde ik zeggen, ‘u zit inderdaad verkeerd, ik zou maar snel omkeren,’ en dan een galmende boer laten.
Dat deed ik helaas niet. Ik kuchte passief-agressief en sloeg een bladzijde om, hoopte dat er iemand bij ze zou gaan spoken.

Mag het licht uit

Terwijl de vrouw knipte probeerde ik: misschien iets korter bij mijn oor. Misschien is die lok wat zwaar. Anders haal je nog iets van de achterkant af, nu heb ik een matje.

Het werd steeds korter, mijn haar, en het zag er steeds erger uit. Normaal ga ik naar een fantastische kapster, maar die is geblesseerd en mijn haar werd te lang en ik ben ongeduldig dus daar zat ik, met zo’n lullig capeje om naar mijn eigen hoofd in de spiegel te staren. Wat een rare kaak, eigenlijk, dacht ik. En wat een wallen. Beetje doorleefd, beetje ongezond, beetje flets, mijn hemel, kan iemand het licht uitdoen.

‘En als je het iets meer… in laagjes knipt?’ piepte ik, ‘Je moet het verder zelf weten, jij bent de expert, maar eh…’

Ik wil helemaal niet iemand zijn die zich druk maakt over haar kapsel, of haar huid, of de wallen onder haar ogen. Ja, als je niet lekker geslapen hebt zie je dat, en als je ouder wordt verjaart je verpakking mee, doe niet zo moeilijk.

‘Prachtig hoor,’ zei ik automatisch toen het klaar was.

Ik wil ook niet iemand zijn die automatisch ‘prachtig’ zegt als iemand ervoor heeft gezorgd dat ik eruit zie als een kruising tussen Carry Slee, Harmen Siezen en zo’n kaal hondje met een kapseltje. Maar dat ben ik dus wel.

‘Heel erg bedankt hoor,’ ging ik desondanks verder – of nou ja, ‘ik’. Mijn bewustzijn zweefde ergens anders rond, in een veilige ruimte die ruikt naar lente, geolied hout en gebakken maïs, en waar verder helemaal niemand is, in het niets, feitelijk. Soms vraag ik me af waar ik blijf.

Ik rekende af en deed uit het zicht van de kapperszaak met de aardige kapster mijn capuchon op. Thuis knipte ik bij zacht licht mijn haren erg kort. Leek iets meer op mezelf, wie dat ook mag wezen.

Aan de Amsterdamse grachten

De eerste burgemeester die ik me kan herinneren is Van Thijn. Daar hadden volwassenen het over, over Van Thijn en Gorbatsjov (die vlek!) en Wim Kok. De dingen die ik later wel zou gaan begrijpen – verkiezingen, politiek. Dingen die naarmate je er meer van wilt begrijpen ingewikkelder worden, zo bleek, ik snap er nog steeds niet veel van. Dat klinkt nalatig en dat is het ook; terwijl ik met leeg hoofd politieke berichtgeving probeer te lezen, ben ik ook van mening dat je als weldenkend onderdeel van een democratische samenleving ten minste lichtelijk op de hoogte moet zijn van het hoe & wat. Tegelijkertijd ben ik gemaakt voor zo’n democratische samenleving – met iets te veel vertrouwen ga ik er vanuit dat ze heus wel weten wat ze doen daar, in die torentjes en ambtswoningen. Dat het allemaal niet zo zwart-wit is.

Toen zich een menigte verzamelde onder de burgemeesterswoning was ik thuis, later keek ik er een filmpje van (het zal eens niet, ik ben altijd thuis en kijk altijd de filmpjes), waar ik over wilde vertellen aan mijn moeder maar ik moest huilen. Omdat ik erg van de stad hou en omdat sentimenteel zingende menigtes een gezapig snaartje raken en omdat het ook nog een smartlap was; ik herinner me de keer dat ik door de Jordaan liep en op een smartlappenkoor stuitte, iedereen stond er in een kleine kring omheen en iedereen wiegde mee en had tranen in zijn ogen, ik ook, ‘goddomme zeg,’ zei een man toen het klaar was en ik zei ‘ja goddomme, allemachtig.’

Het kan best dat zich in die menigte honderden racisten en opportune sensatiezoekers bevonden. Er zullen mensen te fanatiek gezongen hebben. Er zullen mensen gehuild hebben, zoals ik dat deed, niet zozeer om een man die ze niet persoonlijk kenden maar om de verhalen en omdat er zoveel mensen van hem hielden, op allerlei manieren, en dat ze daar toch maar stonden in een stad die onpersoonlijk aan kan voelen. Er zullen mensen alleen om de geborgenheid hebben gestaan. Er zullen zich mensen opgevroten hebben omdat ze het allemaal een hypocriete bedoening vonden.

En ik maar huilen. Alsof ik thuis ooit een smartlap luister, of ooit een woord gewisseld heb met de burgemeester, of überhaupt in de volle omvang begreep wat hij allemaal deed. Er zijn, ja, een homovlag hijsen, dan heb je me al, een boegbeeld zijn van de stad met de grachten die doorlopen tot in mijn aderen, echt waar, soms hoest ik een fiets op.

Het nieuws vanochtend was onverdraaglijk, net als mijn onwetendheid.

 

 

Het verandert

‘Is achtenveertig,’ stelde de man op de bushalte me gerust.
Ik stond niet op te letten maar naar het scherm van mijn mobiel te staren; foto’s van dieren, foto’s van gezichten, foto’s van boeken, een vriendin die vroeg hoe het met me ging.
Hij wist dat ik een andere bus moest hebben omdat we elkaar in de buurt waar we allebei heen moesten weleens tegenkomen, dan groeten we.
‘Is niet goed, telefoon,’ ging hij verder, ‘niet goed, de hele tijd op kijken.’
‘Nee,’ antwoordde ik, en stopte ‘m weg.
‘Iedereen!’ zei hij.
‘Ja!’
‘Op straat, op fiets, in auto!’
‘Stom he?’
‘Niet goed, niet goed. Je moet kijken. Alles.’
We lachten want er fietste een vrouw langs die op haar telefoon keek en daarbij haast een voetganger overreed. We lachten omdat er een auto met zeventig kilometer per uur voorbijraasde en we tegelijk het gebaar voor typen op je telefoon maakten. We lachten want de volgende bus was buiten dienst en de chauffeur reed terwijl hij iets op z’n schermpje deed.
‘De tijd,’ zei hij, ‘gaat weg. Je kijkt op telefoon en boem! Nacht!’
‘Kan ook met een boek,’ probeerde ik.
‘Anders.’
Tenslotte arriveerde de zevenendertig. Ik ging achterin, hij voorin, ik probeerde nog steeds die telefoon niet te pakken. Ik wilde het goed doen want hij had gelijk en ik wilde die grappige bushalteband die we hadden niet verbreken. Toch stuurde ik snel een kom eraan naar I., die de hond aan het uitlaten was – vroegâh kon je hele dagen kwijt zijn zonder kwijt te zijn, men zag je wel weer verschijnen, dan had je elkaar van alles te vertellen. Bij het opkijken van mijn scherm zag ik de man uitstappen, lachend, hij zwaaide en schudde zijn hoofd van neeneenee. Nee, schudde ik ook, met mijn schouders opgetrokken, alsof ik sorry zei, sorry dat alles de hele tijd verandert.

 

 

I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.