Muze

Ik kocht een museumjaarkaart en liep FOAM in. Er hing moois en minder moois en dingen die vast heel interessant waren maar nog steeds niet mooi, moet kunst mooi zijn, nou nee (al is het wel een pré naar mijn bescheiden neanderthalermening). Ik houd gewoon van mooie fotografie en was daar niet om verlicht te worden maar om even een esthetisch bevredigende ervaring op te doen. Dat lukte heel goed bij het werk van André Kértész (Hongarije, 1894 – VS 1985) die in onder meer Hongarije, Parijs en New York fotografeerde. Veel zwart-wit, ook toen het al in kleur kon, veel lijnen, veel straat.

Wie ook een esthetische ervaring leek te beleven was de verfrommelde man met het kunstzinnige brilletje dat heel toevallig steeds bij mij in de ruimte stond, en dan heel graag naar de foto’s wilde kijken waar ik ook naar keek. Hij liep rond met een houding die iets uitstraalde, op recepties zou vast iedereen denken dat hij iets heel belangrijks was in de Amsterdamse art-scene in de jaren zeventig, of zoiets, maar nu kwam -ie op me over als een kerel die ieder moment iets over muzes in mijn oor kon gaan fluisteren. Het slag dat me in een café onaangekondigd om de middel grijpt en zegt: ‘je bent zo lekker petite!’

Hij kwam net niet dichtbij genoeg om er te iets van te zeggen, en staarde net niet lang genoeg om te vragen of -ie het wel goed kon zien. Ik was net te moe om me hevig te ergeren.

Buiten liep ik rond met die misplaatst (ja, toch) verlichte blik die mooie foto’s je kunnen geven. Dáár zou ik een goed beeld van kunnen maken, die tram en dat waarschuwingsbord en die toeristen op de brug en die vrouw in het knalroze, met lippenstift tot onder haar oren. Maar dan denk ik al snel: dat kunnen anderen veel beter dan ik. Met schrijven heb ik precies hetzelfde, maar dat ga ik dan toch doen. Ik weet niet waar hem het verschil in zit.

Eerste klas

Terwijl het land van Amsterdam tot Venray langsschoot – plat, weilanden, steden, dorpen, niks, volkstuinen, heuvels, andere steden, boerderijdieren, naaldbomen – verloor ik al mijn plannen. In m’n tas zat een boek dat ik nog moest lezen, het bleef erin zitten, dat gebeurt altijd in de trein; laat me vanuit iets bewegends naar buiten kijken en ik ben uren zoet. Het was koud in de coupé maar met een jas aan ging het wel. Af en toe materialiseerde in de stoel tegenover me bijna een dode waarvan ik weet dat ze net als ik erg van treinreizen hield, haar stem kwam omhoog van de bielzen en omlaag uit de wolkenlucht, het was goed, ik werd er rustig van. Het kan louterend zijn de doden bij je te dragen – niet letterijk uiteraard – met nadruk op kan, als ze allemaal tegelijk komen spoken ga ik liever even iets anders doen, dat boek lezen, een vriend bellen. Ik reisde eerste klas, omdat je soms in weekenden voor vijf euro een upgrade kan krijgen.

In Venray gaf ik een lezing voor een publiek dat zo stil was dat ik halverwege vroeg of ze niet sliepen, toen moesten ze hard lachen, het was aandacht.

Terug was de reis net zo kalm en net zo eerste klas. Ik voel me overal thuis, dacht ik, bij het hele landschap. Betekent dit dat ik me een Nederlander voel? Dat de vlakke natte weilanden net zo vertrouwd zijn als het glooiende zanderige zuiden, dus – ja, ik denk het, ik ben heel Nederlands, in allerlei opzichten. Maar zoiets opschrijven impliceert weer van alles. Ik vierde nooit een kringverjaardag, iedereen kan mee-eten, en die hele hoeksteennormenwaardenzooi ach nee, terwijl ik wel veel te direct ben en oernederlands luid. Het is een kwestie van aanleg denk ik, je thuisvoelen op de grond waar je toevallig geboren bent, het heeft meer met die grond te maken dan met de mensen. Er zijn er zat die dat helemaal niet hebben, die willen de hele tijd weg omdat ze klaar zijn met pvv’ers, de werkmentaliteit, met witte driekwartleggings en De Wereld Draait Door. Ja, denk ik dan, mensen kan ik overal zat worden. Maar dat platte groen en dat heuvelige löss!

Maar goed, dat heeft misschien weinig met een volksidentiteit te maken, dat heeft gewoon te maken met aan vasthouden aan je bekende uitzicht. Lekker, vind ik dat, maar soms wilde ik iets meer verlangen naar verre bergen en onbekende kliffen.

Ik zat me erg thuis te voelen, kortom, in die trein die ook nog eens naar het thuist aller thuizen denderde, Amsterdam. Als ik daar te lang niet geweest ben moet ik altijd even een blijbibberige ademteug nemen als ik binnenrijd. Wel had ik inmiddels dat boek uit mijn tas gepakt. Bij pagina vier kwam kwam er een ouder stel de coupé in, waarvan de man me lang monsterde. Toen draaide hij zich om naar zijn vrouw en zei: weet je zeker dat dit de eerste klas is?

‘Nee,’ wilde ik zeggen, ‘u zit inderdaad verkeerd, ik zou maar snel omkeren,’ en dan een galmende boer laten.
Dat deed ik helaas niet. Ik kuchte passief-agressief en sloeg een bladzijde om, hoopte dat er iemand bij ze zou gaan spoken.

Mag het licht uit

Terwijl de vrouw knipte probeerde ik: misschien iets korter bij mijn oor. Misschien is die lok wat zwaar. Anders haal je nog iets van de achterkant af, nu heb ik een matje.

Het werd steeds korter, mijn haar, en het zag er steeds erger uit. Normaal ga ik naar een fantastische kapster, maar die is geblesseerd en mijn haar werd te lang en ik ben ongeduldig dus daar zat ik, met zo’n lullig capeje om naar mijn eigen hoofd in de spiegel te staren. Wat een rare kaak, eigenlijk, dacht ik. En wat een wallen. Beetje doorleefd, beetje ongezond, beetje flets, mijn hemel, kan iemand het licht uitdoen.

‘En als je het iets meer… in laagjes knipt?’ piepte ik, ‘Je moet het verder zelf weten, jij bent de expert, maar eh…’

Ik wil helemaal niet iemand zijn die zich druk maakt over haar kapsel, of haar huid, of de wallen onder haar ogen. Ja, als je niet lekker geslapen hebt zie je dat, en als je ouder wordt verjaart je verpakking mee, doe niet zo moeilijk.

‘Prachtig hoor,’ zei ik automatisch toen het klaar was.

Ik wil ook niet iemand zijn die automatisch ‘prachtig’ zegt als iemand ervoor heeft gezorgd dat ik eruit zie als een kruising tussen Carry Slee, Harmen Siezen en zo’n kaal hondje met een kapseltje. Maar dat ben ik dus wel.

‘Heel erg bedankt hoor,’ ging ik desondanks verder – of nou ja, ‘ik’. Mijn bewustzijn zweefde ergens anders rond, in een veilige ruimte die ruikt naar lente, geolied hout en gebakken maïs, en waar verder helemaal niemand is, in het niets, feitelijk. Soms vraag ik me af waar ik blijf.

Ik rekende af en deed uit het zicht van de kapperszaak met de aardige kapster mijn capuchon op. Thuis knipte ik bij zacht licht mijn haren erg kort. Leek iets meer op mezelf, wie dat ook mag wezen.

Aan de Amsterdamse grachten

De eerste burgemeester die ik me kan herinneren is Van Thijn. Daar hadden volwassenen het over, over Van Thijn en Gorbatsjov (die vlek!) en Wim Kok. De dingen die ik later wel zou gaan begrijpen – verkiezingen, politiek. Dingen die naarmate je er meer van wilt begrijpen ingewikkelder worden, zo bleek, ik snap er nog steeds niet veel van. Dat klinkt nalatig en dat is het ook; terwijl ik met leeg hoofd politieke berichtgeving probeer te lezen, ben ik ook van mening dat je als weldenkend onderdeel van een democratische samenleving ten minste lichtelijk op de hoogte moet zijn van het hoe & wat. Tegelijkertijd ben ik gemaakt voor zo’n democratische samenleving – met iets te veel vertrouwen ga ik er vanuit dat ze heus wel weten wat ze doen daar, in die torentjes en ambtswoningen. Dat het allemaal niet zo zwart-wit is.

Toen zich een menigte verzamelde onder de burgemeesterswoning was ik thuis, later keek ik er een filmpje van (het zal eens niet, ik ben altijd thuis en kijk altijd de filmpjes), waar ik over wilde vertellen aan mijn moeder maar ik moest huilen. Omdat ik erg van de stad hou en omdat sentimenteel zingende menigtes een gezapig snaartje raken en omdat het ook nog een smartlap was; ik herinner me de keer dat ik door de Jordaan liep en op een smartlappenkoor stuitte, iedereen stond er in een kleine kring omheen en iedereen wiegde mee en had tranen in zijn ogen, ik ook, ‘goddomme zeg,’ zei een man toen het klaar was en ik zei ‘ja goddomme, allemachtig.’

Het kan best dat zich in die menigte honderden racisten en opportune sensatiezoekers bevonden. Er zullen mensen te fanatiek gezongen hebben. Er zullen mensen gehuild hebben, zoals ik dat deed, niet zozeer om een man die ze niet persoonlijk kenden maar om de verhalen en omdat er zoveel mensen van hem hielden, op allerlei manieren, en dat ze daar toch maar stonden in een stad die onpersoonlijk aan kan voelen. Er zullen mensen alleen om de geborgenheid hebben gestaan. Er zullen zich mensen opgevroten hebben omdat ze het allemaal een hypocriete bedoening vonden.

En ik maar huilen. Alsof ik thuis ooit een smartlap luister, of ooit een woord gewisseld heb met de burgemeester, of überhaupt in de volle omvang begreep wat hij allemaal deed. Er zijn, ja, een homovlag hijsen, dan heb je me al, een boegbeeld zijn van de stad met de grachten die doorlopen tot in mijn aderen, echt waar, soms hoest ik een fiets op.

Het nieuws vanochtend was onverdraaglijk, net als mijn onwetendheid.

 

 

Het verandert

‘Is achtenveertig,’ stelde de man op de bushalte me gerust.
Ik stond niet op te letten maar naar het scherm van mijn mobiel te staren; foto’s van dieren, foto’s van gezichten, foto’s van boeken, een vriendin die vroeg hoe het met me ging.
Hij wist dat ik een andere bus moest hebben omdat we elkaar in de buurt waar we allebei heen moesten weleens tegenkomen, dan groeten we.
‘Is niet goed, telefoon,’ ging hij verder, ‘niet goed, de hele tijd op kijken.’
‘Nee,’ antwoordde ik, en stopte ‘m weg.
‘Iedereen!’ zei hij.
‘Ja!’
‘Op straat, op fiets, in auto!’
‘Stom he?’
‘Niet goed, niet goed. Je moet kijken. Alles.’
We lachten want er fietste een vrouw langs die op haar telefoon keek en daarbij haast een voetganger overreed. We lachten omdat er een auto met zeventig kilometer per uur voorbijraasde en we tegelijk het gebaar voor typen op je telefoon maakten. We lachten want de volgende bus was buiten dienst en de chauffeur reed terwijl hij iets op z’n schermpje deed.
‘De tijd,’ zei hij, ‘gaat weg. Je kijkt op telefoon en boem! Nacht!’
‘Kan ook met een boek,’ probeerde ik.
‘Anders.’
Tenslotte arriveerde de zevenendertig. Ik ging achterin, hij voorin, ik probeerde nog steeds die telefoon niet te pakken. Ik wilde het goed doen want hij had gelijk en ik wilde die grappige bushalteband die we hadden niet verbreken. Toch stuurde ik snel een kom eraan naar I., die de hond aan het uitlaten was – vroegâh kon je hele dagen kwijt zijn zonder kwijt te zijn, men zag je wel weer verschijnen, dan had je elkaar van alles te vertellen. Bij het opkijken van mijn scherm zag ik de man uitstappen, lachend, hij zwaaide en schudde zijn hoofd van neeneenee. Nee, schudde ik ook, met mijn schouders opgetrokken, alsof ik sorry zei, sorry dat alles de hele tijd verandert.

 

 

I am afraid to see my heroes

Torres_Live_-_Athens,_GreeceI am afraid to see my heroes age
I am afraid of disintegration

Zingt Torres in ‘The Exchange’ (Sprinter, 2015). Het is een mysterieus lied, bijna a capella, door een diepe stem met een melancholische klank. Het gaat over haar moeder die haar moeder twee keer heeft verloren, de tweede keer door een ‘freak basement flood’; Under water/we’re under water.

Ik zoek haast nooit na waar liedteksten op slaan, vooral niet als ik ze mooi vind. Zal je net zien dat het hele nummer draait om het feit dat de zanger(es) God heeft gevonden, terwijl ik er net zo’n toepasselijk liefdeslied in hoorde; dan kan ik het nummer dus niet meer luisteren omdat ik de hele tijd het gevoel heb dat de artiest me iets veel te intiems vertelt. Iets waar ik bovendien niet in geloof. Het liefst weet ik zo min mogelijk.

I am afraid to see my heroes age

Torres is, zo blijkt als ik met lood in mijn vingers haar naam opzoek, de Amerikaanse Mackenzie Scott. Ze is een beetje into Christus, hoe kan het ook anders, heeft leren zingen in de kerk. Het lied, daar ging het me om, gaat inderdaad over de moeder van Mackenzie, die haar eigen adoptiepapieren kwijtraakte in een kelderoverstroming, waardoor ze nooit meer te weten kon komen wie haar biologische moeder was. Mackenzie zelf is ook geadopteerd. Welke van haar twee moeders (de biologische of de adoptiemoeder) nu precies die papieren kwijtraakte weet ik niet, ik stopte al met zoeken. I am afraid to get to know my heroes.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 18.41.58De zin die bij mij steeds door mijn hoofd (en dus het huis) blijft zingen is die van die ouder wordende helden, daar bang voor te zijn. Bij Scott heeft het te maken met een algehele angst voor verkruimling, vergaan, bij mij is het platter. Misschien heeft het meer te maken met de menselijkheid van wat ik veronderstel iconen te zijn. Ik begrijp best dat Madonna er alles aan doet om er jong uit te zien, dat is namelijk precies wat idioten als ik van haar verwachten. Anders is het Madonna niet meer. Als ik een foto zie van Mick Jagger nu, naast een foto van Jagger in zijn gloriejaren breekt mijn hart. Mijn vroegere idool, Bette Midler, durf ik niet meer te Googelen.

(Idool is trouwens een groot woord, dat veronderstelt fan van iets zijn, je kamer volhangen met posters en elke snipper van iemands levensverhaal te weten willen komen. Ik wil gewoon duizend keer Beast of Burden op repeat hebben omdat ik het een lekker nummer vind en eenkennig ben. Hoe fout Mick Jagger is en hoe oud Bette Midler wil ik helemaal niet weten. Het moet wel een beetje mijn soundtrack blijven.)

I am afraid to see my heroes age

Ben ik bang om mezelf ouder te zien worden? Nee, ik geloof het niet. Die grijze haren vind ik wel grappig en dat je met de jaren kreukeliger wordt is onvermijdelijk. Ik heb helemaal geen zin om me daar druk om te maken, ook al zegt iedereen van boven de veertig dat dat nog wel komt. Ah ja; steeds banger zal ik worden voor ziektes, dat kan ik je vast vertellen, maar dat gaat niet om het zien ouder worden, niet direct tenminste. Wel vind ik het gek dat de mensen om me heen, dertigers, ik dus ook, vormvaster worden. We ‘zijn zo iemand die’ (een kind heeft, zo’n baan heeft, geweldige soepen maakt, altijd vroeg naar huis gaat of altijd de kroeg uitgeveegd moet worden, te hard lacht of nergens zin in heeft) aan het worden.

Of nou ja, ‘gek’ is niet het goede woord; ik vind het wel lekker, eigenlijk. Ik ben zo iemand van in de dertig met een hond en een windjack, die chick die schrijft, die ene die meestal wel trek in een biertje heeft en die te hard lacht. Ik sluit absoluut niet uit mezelf ooit nog te verrassen, maar dat het niet de hele tijd meer gebeurt is uitermate aangenaam. Dat ik nu intens jong belegen klink is overigens minder aangenaam, daar heb je ze al, die zorgen.

I am afraid to see my heroes age

Joan_Baez_2012Een paar jaar geleden zag ik Joan Baez optreden. Het was de eerste keer dat ik haar zag en vrijwel de eerste keer dat ik haar hoorde. Later zocht ik haar muziek terug – ik vond haar vroegere werk veel minder mooi dan wat ik haar met die oudere, diepere stem hoorde zingen. Was al aan die grijze haren gewend. Koesterde het feit dat een vrouw van in de zeventig nog kan staan shinen op een podium, ook zonder Madonna-ingrepen. Baez mocht niet meer terug veranderen. Hetzelfde heb ik met Abbey Lincoln; geef mij maar de opnames waarin haar stem wat stroever is.

Misschien is dat het: I am afraid to see my heroes change – blijf wie je was toen ik je leerde kennen, zodat ik nooit meer aan je hoef te denken, zodat je zo plat als een dubbeltje blijft en je liedjes (of boeken, for that matter) van mij blijven. Blijf met je verouderende tengels van je oeuvre, mijn soundtrack, af. Waag het niet ooit jong geweest te zijn.

Mackenzie Scott, Torres, is geboren in 1991. Dat betekent dat ze zes jaar jonger is dan ik. Dat betekent ook dat ze zich misschien later wel helemaal kapot schaamt voor wat ze nu zingt en schrijft, en dat ik dan (als ik ’t nummer zelf niet zat ben) niet meer naar The Exchange kan luisteren omdat ik dat weet. Dat ze in een interview zegt: die tijd heb ik achter me gelaten, die galm, dat sentimentele.

Stel je voor! Nee! Dat schamen doe ik zelf al genoeg (ik voorspel nu vast dat ik overmorgen mijn muren bijna doorklauw van spijt over het feit dat ik een mini-essay heb geschreven in de eerste persoon, dat zouden we toch niet meer doen, wie ben ik nou helemaal, ja dat ene zeikwijf van Tirade) en de wereld verandert al de hele tijd, zodat al die vormvaste dertigers van nu over twintig jaar het equivalent zijn van hun ouders die alleen maar in hoofdletters kunnen sms’en en zwarte piet wel best vinden. Laat mijn helden mijn helden blijven en mijn liedjes mijn liedjes, laat mij in die fictie geloven. Dan beloof ik dat ik soms dat windjack nog even uittrek om met de tijd mee te rennen.

[Foto Torres: Pinelopi Gerasimou, via Flickr]

[Foto Baez: Steve Jozefczyk , via Flickr]

—> Dit mini-essay verscheen eerder op de site van Tirade.

straatgenegenheidsspectrum

‘Ik zie u roken,’
De man, een jaar of tachtig, minstens, hield me staande. Hij liet zijn rollator los.
‘Krijg ik nu een preek?’ vroeg ik licht geïrriteerd en schuldbewust.
‘Zou ik er eentje mogen?’
Dat mocht. God, sorry, natuurlijk mocht dat. Hij grinnikte, leende ook mijn aansteker even. Zei dat hij alles thuis had laten liggen, hij moest nog een paar kilometer wandelen, met die kar voor zich.
‘Wandel-ze,’ zei ik.
Toen stak de man zijn hand op, alsof hij me een high-five wilde geven, dus ik stak die van mij ook op, maar het was een knuffel, ‘o,’ zei ik en toen werd het ineens een natte kus in mijn hals, ‘ho,’ piepte ik en voor ik het wist vervolgden we allebei onze wegen, de ruggen steeds verder van elkaar af.

Ik veegde lopende mijn hals droog. ‘Huh,’ zei ik, hardop.
Het is natuurlijk ook gewoon leuk om mensen in hun hals te zoenen.

Toch: na die ‘huh’ werd ik pissig, want als die man niet tachtig was geweest en geen rollator voor zich uit had geduwd had -ie een hengst gekregen wegens deze verrassingsaanval.

Er is een straatgenegenheidsspectrum dat per mens (v/x/m) verschilt. Voor mij (en dus niet: voor alle vrouwen, ik heb het tegen jullie, mensen die vrouwen alleen in vrouwenpanels zetten om erachter te komen wass das Weib will) ziet dat spectrum er ongeveer zo uit:

(bedankt voor het compliment, ja, zelf gemaakt)

Natuurlijk is dit allemaal contextafhankelijk. Bijvoorbeeld: is de straataanbidder dronken? Zo ja, dan schuift ’t hele spectrum op naar rechts. Heeft de straataanbidder zelfspot? Ietsje naar links. Klinkt het ‘kopje koffie’ als ‘lekker effe anaal verkrachten in een vochtige kelder’: naar rechts. Ik ben weleens zo goedmoedig op mijn kont geslagen dat het spectrum in een knoopje lag, maar dat is er eentje voor de vakmannen.

En dat mannetje dan? Hij was onschadelijk. En daarmee viel hij spontaan van die mooie tekening hierboven. Wat de boel voor een vrouw bedreigend maakt, zo wordt vaak terecht benadrukt, is het feit dat een man vaak fysiek sterker is (en maatschappelijk machtiger) dan zij. En deze man, ja deze had geen manieren, maar als ik niet zo verbaasd was geweest had ik ‘m om het af te leren even op z’n achterhoofd kunnen tikken zodat –ie z’n kunstgebit verloor. Ik had z’n rollator kunnen wegduwen en ik had ‘m pootje kunnen haken, enzovoorts.

Dat praat het niet goed, want waarschijnlijk wist hij best dat hij ermee weg zou komen. Zelfs als ik tegen hem was gaan schreeuwen was ik, en publique, de bruut geweest. Het is heel lief, dat we aan ouderen denken in termen als ‘mannetje’, ‘besje’ (wat is het mannelijk equivalent hiervan? Stronkje? Zwammetje?) en ‘ouwe viespeuk’. Vervelend, dat ook, belachelijk om na je zeventigste ineens overal als ‘omaatje’ en niet als je capabele zelf gezien te worden. Maar het zorgt er ook voor dat asociale ouwe zwammen overal mee wegkomen. Het moet ze gegund worden, zo in de winter van hun leven: voordringen bij de bakker. Vrouwen op straat in hun hals zoenen. Hihi, snoeperd!

Al hoefde ik die mafkees niks te gunnen: schreeuwen deed ik dus niet. Hij was al te ver weg. Bovendien was ik niet kwaad maar teleurgesteld. In mezelf. Omdat ik een vrouw ben en geleerd heb dat het altijd aan mij ligt, geloof ik, maar dat klinkt ook weer zo zielig.

Ik dacht: laten we deze maar verdringen, en vanavond in bed het patriarchaat een beetje extra vervloeken.

*

wedergekeerde hitte

Heet, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ik roep altijd dat het me niet heet genoeg kan zijn, en dat is ook zo, maar nu ineens kan ik het niet hebben. Slapen lukt niet, eten is vies, werken verschrikkelijk en de zon heeft een vitaal deel van mijn hersenen verweekt waardoor ik de hele tijd dingen vergeet; afspraken, wc-papier, voornemens. Onder al dat gezweet ben ik gelukkig, overigens, ik heb heel veel zin in allerlei dingen als het niet 32 graden is.

Hundstage, denk ik steeds en dan aan dat ik die film nog steeds eens moet kijken. Ik probeer ook aan boeken te denken waarin het vreselijk heet is, maar verbanden leggen tussen roman & de dagelijkse werkelijkheid zit niet zo in mijn systeem, geloof ik. Ik denk wel aan films (dus), of aan songteksten, maar de literatuur blijft in de literatuur. Misschien is dat wel waarom ik er zo van houd. Als ik een boek lees ben ik dáár, en niet hier. Ergens schaam ik me er toch voor omdat ik het gevoel heb dat het wel zou moeten – die verbanden leggen dus.

De schimmen, van César Aíra, maar nu speel ik vals, vorige zomer dacht ik ook al aan dat boek. Is het in Post Office van Charles Bukowski heet, of denk ik dat alleen maar omdat ik het boek las in mijn eerste zomer als postbode (heerlijk; de winter, dat was pas erg)? The Sisters Brothers van Patrick DeWitt misschien, hoewel ik dat ook kan denken omdat het een soort western is, en in westerns brandt de zon en brandt het zand. Is het zomer in Nina Polaks We zullen niet te pletter slaan? Geen idee, maar ik weet wel dat het dat was toen ik het boek las.

Ja als iedereen het erover heeft, dan ga ik vanzelf romans in de werkelijkheid zien; de muggen uit Nooit meer slapen, de trein uit Anna Karenina.

Ik doe het andersom, geloof ik, ik verbind mijn omstandigheden aan boeken, in plaats van de boeken aan omstandigheden.

Zegt dat iets over mij? Ik lees niet om te herkennen, denk ik, maar wil ik dan zelf herkend worden door een boek? Nee – zelfs non-fictie valt ten prooi aan mijn weerprojecties. Cities are good for you van Leo Hollis bijvoorbeeld, gaat (surprise!) over steden, en ik zie al die steden (zoals Almere!) voor me in de stromende regen.

Vlak voor ik dit stukje typte keek ik op Instagram, waar een foto te zien was van iemands voeten in een voetbadje. Ik wilde schrijven dat ik dat nooit doe, een voetbad, omdat je dan wel even verkoeling hebt maar daarna is het nog veel erger om het weer warm te hebben, dan kan je beter maar gewoon de hele tijd warm blijven en niet steeds weer die teleurstelling over je afroepen. Bovendien zit je daar maar, met je lelijke poten in een teil en zeker weten moet je naar de wc en ben je vergeten een handdoek naast dat ding te leggen waardoor je over je laminaat moet glibberen et cetera – ik wilde dus schrijven dat ik tégen voetbadjes ben, ook op Instagram, omdat ik zelfs bij het zien van een fotovoetbad de sensatie van wedergekeerde hitte ervaar, en toen kwam het ineens naar boven.

Marga Minco. Volgens mij is het ’t eerste verhaal uit de verzamelbundel Achter de muur (Bert Bakker, 2010). Een man, een soort deur-aan-deur verkoper (‘Hij had een slappe deukhoed op en droeg een koffer, die hij nu op de stoep zette. Tussen zijn gestrekte wijs- en middelvinger hield hij een visitekaartje omhoog.’) klopt aan bij een vermoeide vrouw. Wat ze nodig heeft, zegt hij, is een voetbad. Morrend (“ik voel er zo weinig voor”) geeft ze toe, ze steekt haar voeten in een teil. Nadat de man flink wat helende substantie in het onnodige voetbad heeft gestrooid gaat hij even een doosje sigaren halen. Terwijl de vrouw merkt dat ze haar voeten niet meer uit de teil krijgt – gips! – klopt hij alweer bij de volgende buurvrouw aan.

Zit ze dan. Miserabel was ze al, in haar groene kamerjas, en nu zit ze ook nog vast.

Precies wat deze dagen met me doen, met de kamerjassenzon die ervoor zorgt dat elke beweging er als één te veel voelt. Het omslaan van een bladzijde, dat lukt nog net.

*

Omgang

De Sint Servaasprocessie duurde erg lang en was voor een Hollander die niks gewend is en nergens in gelooft spectaculair en vreemd tegelijk. Op een hoek van de Grote Staat stond ik, mooi vooraan, te kijken naar hoe notabelen en verenigingen, allemaal keurig uitgedost en op makkelijke schoenen, langsschreden. Wanneer zie je dat, schrijden? En gewaden? Vooruit: hier ziet iedereen, maar vooral bepaalde vrouwen, er net iets versgeknipter en deftiger uit, met die bolle blonde kapsels en getailleerde jassen met patroontjes erin. Soms wappert er ineens een oude non voorbij. Maar deze praal, mannen met draagbaren op hun schouders, levensgrote Maria’s, vrome kindertjes met lenteboeketten in hun knuistjes, alles glimmend en in gewijde stilte – zelfs de fanfare die ’s ochtends onder mijn raam jolig opstartte was ingetogen – daar kun je met open mond naar kijken.

Of je ergert je rot, dat is ook begrijpelijk; de winkels zijn dicht, de halve stad staat op zijn kop door een beschermheilige waarvan niet eens zeker is of –ie wel bestaan heeft, je gelooft niet in God, de wierrook slaat op je longen, je wilt er godverdomme langs maar er staan veertig getailleerde jassen en een paar bisschoppen in de weg. Het zou lekker zijn om even heel hard te roepen dat het allemaal idioten zijn in hun apenpakkies, en dat alles schijnheilig is, maar de meeste voorbijgangers kozen voor een passief-agressieve aanpak; gewoon oversteken. Hup, langs een non, of recht door een vroom zangkoor, kinderwagen vooruit en peuk omhoog. Omlopen voor God, dat is voor laffe schapen.

Ik vond het allemaal mooi. De praal, de chagrijnen, de stad. Heel vaak moet ik hier aan een van mijn wijlen oma’s denken, de moeder van mijn moeder. Die hield van mooie dingen en chique zaken, maar werd tegelijkertijd nogal rebels van de kouwe kak eromheen. Misschien omdat ze uit de Jordaan kwam toen het nog een volksbuurt was, of misschien is het iets in de genen, want al haar nazaten worden in dit soort situaties geloof ik verscheurd tussen bewondering en spot; ook ik bemerkte halverwege de processie dat er iets knapte in mijn kop. Het was net of oma vanuit een hemel waarin ze niet geloofde op mijn schouder landde en spottend zei: wat een poppenkast. Ineens ergerde ik me ook. Niet aan de processie (ze doen maar, als het loutert) en niet aan de overstekende mensen (idem) maar wel kreeg ik haast een fysiek allergische reactie op de vrouw die naast me stond.

‘Dat gekanker de hele tijd,’ fluisterde mijn oma me in met de stem die ik bijna vergeten was, zwaar van de sherry en sigaretten.

Gelijk had ze. De vrouw, in een veel te keurig pakje gestoken en met haar dat zo hard glansde dat ik er bijna sneeuwblind van werd, stond aan een stuk door heel devoot te zaniken over de overstekers.

‘Respectloos!’ zei ze net iets te hard, of ‘tuttuttut!’ of ‘Nou JA!’ of ‘Óngelóóflijk’.

Ik keek op mijn horloge: de processie duurde al een half uur en die vrouw was al een half uur aan het mopperen. Steeds luider, soms stootte ze me aan, kennelijk in de veronderstelling dat ik net zo devoot was als zij. Ze schudde de hele tijd afkeurend met haar hoofd. Ik vroeg me af wat haar God vond van haar gedrag, probeerde me dat niet af te vragen, wat weet ik tenslotte van goden en heiligen?

Ik dacht aan de keer dat mijn geweldige oma iemand van z’n fiets trok toen hij ons bijna aanreed, aan de keer dat ze driftig een metrodeur openwrikte terwijl het rijtuig zich al in beweging had gezet, aan de klap die ze keihard op een motorkap gaf omdat –ie te hard glansde of zoiets en aan alle keren dat ze – net door rood gelopen, met in haar tas boodschappen die ze lekker niet gescand had bij de supermarkt, luidkeels discussies aanging met mensen die haar niet aanstonden. Je zag het aankomen, opborrelen, en je hoorde haar dictie van keurig ABN naar Amsterdams verschuiven.

Daar ging ik. Het was het parfum van die vrouw, de lippenstift die in haar mondhoeken korrelde, de welvaart die van haar afdroop, dat glanzende haar, het was het tasje aan haar onderarm en die vrome kaklakschoenen, het was haar schouder tegen de mijne, alsof ik iets met haar te maken had, en vooral was het dat gezever door een haast fluisterzachte stoet.
Nee, dacht ik, ik doe het niet. Anderewang, andere wang, anderewa-
Oma gaf me een zetje.

‘Mefrouw,’ zei ik ondanks al mijn voornemens in haar oor.
Ze staakte haar gejammer.
‘U seurt er dorheen.’

Daar ging oma weer, vast heel tevreden met haar onstoffelijk nalatenschap in de vorm van de genetische afwijking van Het Je Muil Niet Kunnen Houden. Ik was weer alleen. Schaamde me dood.
De vrouw was stil en kwaad.
‘Het gaat om respect,’ zei ze toen.

Ik zei niet: respect me reet. In plaats daarvan wachtte ik in besmuikt zwijgen een pauze in de processie af. Heel langzaam, in de hoop dat de vrouw het niet zou merken, gleed ik zijwaarts met de bocht mee een stuk verder de straat in. Daar ademde ik zo hard wierrookdampen in dat ik me haast in de Heilige Geest verslikte. Naast me barstte een winkelmedewerker die goddomme gewoon z’n winkel open wilde doen in lachen uit.

‘Gezondheid,’ zei hij.
‘In godsnaam,’ zei ik met een stem zo zwaar dat ik er iemand anders in herkende.
Hij bood me een sigaret aan. Samen zaten we de omgang uit.